HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 75

JPEG (Deze pagina), 589.33 KB

TIFF (Deze pagina), 5.40 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

nl
l
69
spreken. Niettemin is het niet te loochenen, dat ook
de meerderheid dor Staatscommissie uitgaat van oen
Q praemisse, waarvan de logische consequentie -­ er is,
j moon ik, terecht èn door den hoor Betz èn door de
heeren de Geer en Lohman op gewezen ­- inderdaad
tot een geheel ander voorstel had moeten leiden dan
l hetgeen nu daaraan is vastgeknoopt. ,,Uitgavon voor
i den oeredionst" - zóó begint die meerderheid te zeg-
gen 1) - ,,vallon buiten het gebied der huishouding
l van publiekreohtelüke lichamen, en het is niet vrü van
bedenking do gelden, door allen zonder onderscheid
i van godsdienst als belasting opgebracht, aan eenige E
kerkelijke gezindte toe te leggen." Evenzoo de heeren b
de Goor en Lohman. ,,De ondorgeteekenden" - zóó
) verklaren zij ­- ,,kunnon zich met dit gedeelte van
het voorstel 2) der Oommissie wel vereenigen." Zij
1, gaan dat dan nader motivoereng en ik geloof niet
` onbillgk te zgn, wanneer ik hun motiveoring samenvat
in die ééne zinsnede mot de door hen zelf gecursi­
l voerde woorden: ,,Maar indien aan de kerken subsi-
dies zijn toegekend krachtens Slaalsrechlelijke begin-
selen die nu niet meer worden gehuldigd, dan bo-
hooron die subsidies te vervallen" 3). Deze redeneoring
is onberispolük. Voorzeker, indien dat geschied is
krachtens staatsrochtelüke beginselen, die nu niet meer
l 1) Verslag: bl. 25.
2) Dit is echter niet een gedeelte van een voorstel, maar van eene
voorstelling of zoo men wil onderslelliny. .
3) Verslag: bl. 68,