HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 73

JPEG (Deze pagina), 594.55 KB

TIFF (Deze pagina), 5.48 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

w
n j er
November 1852 o.a. het volgende sprak: ,,Naar müne
overtuiging moeten de kerkgenootschappen in den Staat _
beschouwd worden als... zoodanige vereenigingen, bij
T welker bestaan en bg welker welzün de Staat een
· L groot, ja ik durf zeggen, een allergrootst belang heeft,
omdat ik mij niet kan voorstellen, dat het, zonder
zulke vereenigingen, den Staat op den duur wel zou
f kunnen gaan. .. De Staat heeft, volgens de bepalingen
· der Grondwet, te waken, dat de kerkgenootschappen
” I zich houden binnen de palen der gehoorzaamheid aan
de wetten van den Staat. Maar diezelfde Grondwet
l _bepaalt, dat, behalve de tractementen en inkomsten,
` welker genot aan die kerkgenootschappen wordt ver-
zekerd, ook nieuwe tractementen aan de leeraren zullen
G [ kunnen worden toegekend. Die Grondwet heeft dus,
Q naar ik meen, daardoor te kennen gegeven, dat zij ook
E meende, dat de Staat een levendig belang, vooral in
het materieel welzijn der kerkgenootschappen moet
stellen" I). Uit een ander oogpunt, maar toch ook uit
j dat van Staatsbebelang, wordt de zaak beschouwd door
Opzoomer, die o. a. tot deze conclusie komt: ,,De ra~
l dicale scheiding moet juist daarom door allen, die niet
, van plan zijn den clericalen in de hand te werken,
` maar die uitsluitend als politieken willen optreden,
j verworpen worden als strijdig met het ware Staatsbo-
Buijs in de Gids; ,,0ok de overgroote meerderheid der liberalen zijn, en
j ik geloof zeer terecht, ernstig daartegen gekant?
` 1) Handelingen : I. 118.
I
L

j .