HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 69

JPEG (Deze pagina), 597.02 KB

TIFF (Deze pagina), 5.46 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

63
Maar ook van die zijde beschouwd, is er, dunkt mij
genoeg wat er tegen pleit.
Q 1°. De Staat zou daarmede eene verplichting toe-
geven, die hij niet erkent, en krachtens de Grondwet
niet erkennen kan.
Hierbij mag ik terugwijzen op hetgeen in de vorige
i bladzijden is aangevoerd betreffende het betwistbare
Q en veelal betwiste van een in juridischen zin verkregen
E recht. Nog één punt evenwel moet ik hierbij releveeren.
De Staat, zoo beweer ik, zou daarmede eene verplich-
t ting toegeven, die hij krachtens de Grondwet niet er-
j kennen kan. Ik geloof niet, dat er iets is in te brengen
tegen hetgeen door prof. Gratama in zijn belangrijk
artikel over ,,Verband tusschen Godsdienst en Regt" l)
{ aldus is gezegd: ,,Geene gelden worden thans aan de
kerkgenootschappen betaald als last klevende op, of
J als vergoeding voor aan zijne bestemming onttrokken
j kerkelijk goed. Zij worden uitsluitend betaald op grond
j van art. 168 der grondwet, krachtens de toekenning E
, I dus door den grondwetgever, wat ook de gronden
i mogen zijn geweest, die hem daartoe leidden". Nuis
het mij wel een raadsel, hoe diezelfde geleerde, na op
grond van die bewering gezegd te hebben: ,,lk kan
j mij voorstellen, dat men de bestaande toelagen wil
I laten behouden. Dan zou men daarvoor een inschrijving
op het Grootboek kunnen geven, en zoo daaraan het
j` karakter toekennen van een verkregen regt . . . Maar
{ 1) Prot. Bädragen. ll. bl. 129, verv.

, _ er ii .