HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 67

JPEG (Deze pagina), 599.23 KB

TIFF (Deze pagina), 5.32 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

i · 61
ä
D i 1849, en daarmede moet ieder mensch van christelgk-
I historische beginselen in Nederland, dunkt mg, van
ig ganscher harte instemmen: ,,Ik geloof eindelgk niet,
l dat de gezindheden aan het goedvinden van den
wetgever of grondwetgeve1· ondergeschikt zgn. Dit
_ is juist het revolutionaire beginsel, waartegen zoovele
leden dezer Kamer onlangs met kracht opgekomen
i zgn. Volgens de strekking van dit denkbeeld is er
i geen regt, dan hetgeen de wetgever of grondwetgever
willekeurig schept of genadiglgk behoudt. De gezind-
{ heden hebben hier te lande een historisch bestaan;
zg zgn niet getolereerd bg de genade der Grondwet/’
v En in de zitting van 27 Nov. 1852 sprak hg als
l volgt: ,,Er is tusschen de gezindheden en den Staat
eene soort oom band. De Minister van Binnenland-
sche Zaken, met wien dit departement meer dan één
ia punt van aanraking heeft, scheen onlangs, toen ik ook
I dit onder de punten van overeenkomst met de con- .
g servatieven opgaf, mg op heeterdaad, in het aanranden
l van de vrgheid, te hebben gevat. willen vrgheid,
{ zeide hg; gg wilt eene soort van bond. Dit is zoo,
maar wel/ce soort? Is ieder band een keten? de
huwelgksband, de vriendschapsband, de banden van
welwillend hulpbetoon? Ik zeg aan den Minister -
i en dit is van ernstige natuur - uwe vrgheid is het
middel om te komen tot alleenheersching van den W
l Staat. •
l Gg zegt: de Kerk is vrg; dat is, ik ben van u W
l bevrgd; ik kan mgn eigen weg gaan. Neen: Kerk
I