HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 66

JPEG (Deze pagina), 586.53 KB

TIFF (Deze pagina), 5.32 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

` 60
‘ l
Kerk, voortdurend gestand te doen aan de verplich- ' Ii
tingen, die hg in de Grondwet aanvaard en gewaar- j
borgd heeft, en die, al spreekt die Grondwet er dan é,
ook niet van met een enkel woord, ontegenzeglgk il
daarin opgenomen zgn mede op grond van toeëigening
door den Staat van de schatten der Kerk. Als men
zegt: ,,een zedelgk en historisch recht is nog geen _
t juridisch recht", dan kan dat voorzeker worden toe- j
gegeven; maar voor ieder rechtschapen mensch, en Q
ook voor een rechtschapen Staat, is het zedelgk en ,
historisch recht van oneindig hooger beteekenis dan l
het juridisch recht, ingeval van dit laatste zou moeten
gelden: summum jus summa injuria! Mg dunkt, ook jl
dan als wg ons plaatsen op dat onbetwiste terrein, l
vragen wg geen gunst, maar alleen recht 1). Ook
elke schgn van spoliatie worde vermeden - zóó heeft
, de heer Beelaerts terecht gezegd. Maar al handelde, ,,
naar diens advies, de Staat bg een afrekening ook [
op onbekrompen wgze, hiervan kunnen wg zeker zgn,
dat evenmin aan de ééne zgde de schgn van spo- l
t liatie, als aan de andere zgde de schgn van gunst
zou kunnen vermeden worden - zoo nog maar
alleen de schgn! De heer Groen van Prinsterer
heeft eens gezegd, in de Kamerzitting vau 17 Dec.
*_ l
l) In dit opzicht ben ik het geheel eens met de grondgedachte van
Dr. van Loenen’s, reeds boven genoemd, geschrift; maar men is, dunkt ‘
mij, sterker als men, het betwiste punt met een ,,uon liquet" in het
midden latende, zich baseert op hetgeen in confesso is. j
I

l