HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 65

JPEG (Deze pagina), 584.64 KB

TIFF (Deze pagina), 5.37 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

1
I .
T . .
I 59
I de rechtskwestie om, enkel en alleen op grond van
` beweerde utiliteit voor de Kerk. De heer Beelaerts I
daarentegen beweert, dat ,,de staatsrechtelijke ver- ,
g plichting tot geldelgke uitkeering krachtens de Grond-
= wet een onbetwistbaar karakter van duurzaamheid
heeft" I). En eindelijk, de Minister Heemskerk? In
het Regeeringsontwerp spreekt ook hij, geheel zooals
de meerderheid der Staatscommissie, van ,,verkregen
, recht tot op zekere hoogte" 2), en doet ook hij een
K beroep op de billijkheid. A
Indien er dus al niet een rechtsgrond is (wat ik in
het midden laat), er bestaat - en dit wordt niet be-
twist - een grond van historisch en zedelijk recht
en van billükheid; en mij dunkt, die door niemand
r betwiste grond is voldoende om te pleiten, oneen niet
ï voor teruggave, onder welken vorm dan ook, van het
à der Kerk ontnomene tot een onbekend en niet meer
herkenbaar bedrag - want, gelijk gezegd is, daar-
| voor moet een rechtsgrond aanwezig zijn, die niet kan
· I betwist worden; maar om te blijven pleiten voor
behoud der hoofdbeginselen in art. 168 nedergelegd.
Geen enkel staatsman noch rechtsgeleerde zal, geloof
ik, ontkennen, dat de Staat ten minste zedelijk en
p redelijk verplicht is, althans tegenover de Hervormde
I 1) Verslag. bl. 38. ­
2) Het is dus niet geheel en al juist, wanneer Segers (t. a. p. bl.
i 4,3, 44) zegt, dat ,,in het Concept­grondwetherziening. .. de Regeering
verklaart, dat de uitkeeringen . . . een verkregen recht gevcn."
l