HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 60

JPEG (Deze pagina), 631.54 KB

TIFF (Deze pagina), 5.42 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

www we ­m~m..T e.T.e~.W...r.m«,e»-.«»«-.. .,,
` •
54 n
poleon van 2 Augustus 1808 bracht ze allen aan de
publieke schatkist over, hief de geestelüke kantoren
op, en liet de gemeenten in het gebruik van de an-
dere, kerkelüke goederen. `jv
. Ziedaar den toestand, zooals de Grondwet van 1815 ·
dien vond en feitelük als rechtstoestand aannam, en
_ zooals dic, door de herziene Grondwet van 1848
ix1 art. 168 daaruit woordelijk overgenomen,
thans nog feitelük onveranderd bestaat. Welnu, ge-
; steld eens een oogenblik, dat er geen strüd ware
over de vraag, of krachtens de Grondwet eene becijfe­
l ring of narekening al dan niet kan worden toegelaten, 1
' en dat allen gezind waren, die vraag toestemmend te
g beantwoorden ·- wat zou het nog baten, daar het toch 1
Q _ vooruit reeds vaststaat, dat men bij de uitvoering zal j
I , stuiten op de onmogelijkheid om uit te rekenen, wat
_ den Staat, wat der Kerk toekomt? Inderdaad, ik ge-
Eg loof, dat niemand, die de zaak niet enkel van theore­ ’ E
tische, maar van de praktische züde wat meer nabü
gaat bezien, zal kunnen aarzelen het aan Mr. Smidt g
toe te stemmen, als hij zegt: ,,langs dien weg ware F
inderdaad een aanmerkelüke teruggang te vreezen;
Q eene financieele regeling toch zou onmogelük blijken,
omdat daaraan eene oplossing moest voorafgaan van
s onoplosbare vraagstukken, waartoe, in den loop der
tijden, de handelingen zoowel van de kerk als van de 1
verschillende souvereinen, ten aanzien van de kerkelüke
en geestelüke goederen en van al hetgeen de financi-
J eele regeling tusschen Kerk en Staat betreft, aanleiding

it *
` 1