HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 53

JPEG (Deze pagina), 610.60 KB

TIFF (Deze pagina), 5.41 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

47
_ wetgever, maar tot die van den rechter I). Juist zoo!
Indien er tusschen partijen, hetzü in de Kerk zelve, `
' li hetzü tusschen den Staat en eenige Kerk of Gemeente,
verschil van gevoelen bestaat of immer ontstond omtrent
Q beweerd eigendomsrecht, en dat verschil kon door
j- geen minnelijke schikking uit den weg geruimd
i worden, mij dunkt, er is niets tegen te zeggen, dan
krijgt de rechter het laatste woord. ,,De kerken, die
meenen, eenig privaatrecht tegen den Staat te kunnen
i doen gelden, weten, welken weg zij daartoe in te
j slaan hebben, indien de Staat weigert, het goedschiks
j te erkennen", zegt Dr. Betz. Inderdaad, ik weet er
niets tegen te zeggen, en het verheugt mij, te kunnen
j , constateeren, dat ik het met dien geleerde op dat punt
.2 althans eens ben. In zijne gevolgtrekking echter niet.
Want als hij dan verder, voortbouwende op de praemisse
van de Heeren de Geer en Lohman, aldus redeneert:
, ,,Gesteld, dat aan kerken subsidies toegekend zijn W
krachtens staatsrechtelijke beginselen, die nu niet meer I
` gehuldigd worden, dan behooren die subsidies te ver-
vallen", dan zal iedereen moeten toegeven: ,,volko1nen
waar - doch het is alzoo ook slechts gesteld, zonder
ook maar eene schaduw van bewüs, dat waarheid
is wat gij stelt". Ik moet daar later op terugkomen.
Want nu vooreerst is het nog maar te doen om
§ den ,,gewonen wetgever". Ook de Heer Beelaerts f
pleit daartegen 2), en ik meen, dat hij recht heeft
mi. c2. _ j
j 2) Verslag der Siaaiscommissie. bl. SS. F
C .
r