HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 52

JPEG (Deze pagina), 621.06 KB

TIFF (Deze pagina), 5.41 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

gld U l W •1w"”­*•­­”_­ D { ")äïv
46
E woordige inkomsten tusschen de scheidenden te deelen?" .
Waarom niet? Mg dunkt, het antwoord ligt voor de _
­ hand. Omdat, indien het werkelgk kwam tot eene
scheuring, gelgk door prof. Bugs is bedoeld, er onder
de scheidenden zouden zgn, die met die deeling, en
Y ik geloof zeer terecht, geen genoegen zouden nemen, , `
, al had ook de gewone wetgever ­- en ik verstout mg
tot de meening, dat zulk een wetgever geen gewone,
maar een zeer ongewone zou zgn ­- de bevoegdheid
‘ om te deelen zich nog zoo nadrukkelgk voorbehouden. W
Ook de Heeren de Geer en Lohman spreken van den J
­ gewonen wetgever. Wat dan zal, volgens hen, die
gewone wetgever moeten doen? Hg zal moeten onder- ä
zoeken, welke de gevallen zgn, waarin ,,de Staatssub­
sidies berusten op gronden van recht en billgkheid",
omdat ,,waar de Staat zich toeëigende wat aan de Kerk
, behoorde, is hg tot teruggave, of tot blgvende uitkee­
ring verplicht" 1). Hiertegen, meen ik, wordt uitne- g
mend gepleit door Dr. Betz. Wel verklaart hg: ,,Het
verschil tusschen de heeren Lohman en de Geer E
aan den eenen, en mg aan den anderen kant, is van
ondergeschikten aard. Omtrent de hoofdzaak zgn wg
het volkomen eens", maar niemand zal ontkennen, dat
, de schgnbare eenvoudigheid van den maatregel, die
door beide leden der Staatscommissie wordt voorgesteld,
ï_ gansch en al schipbreuk lgdt op de klip, die door
li Dr. Betz wordt aangewezen, terwgl hg zegt: ,,Mg
dunkt, het behoort tot de bevoegdheid van geenerlei
Q 1) Verslag der Staaiscovzzmissáe. bl. 68. i

J