HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 31

JPEG (Deze pagina), 628.28 KB

TIFF (Deze pagina), 5.39 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

« ~~ ‘ ' ' Ti
‘¥` l
‘ s
25 ` i
land bükans geen voorwerp van tegenspraak meer. De
zelfstandigheid der Kerk tegenover de wereldlijke magt E
t is ook bij de grondwetsherziening op den voorgrond fp
V gesteld. De commissie van 16 Maart 1848 heeft in · "
haar verslag duidelijk en met ronde woorden eerbie­ V
«· diging gewild der kerkgemeenten, als particuliere J
euereenigingea, als bargertäke genootschappen, onder-
worpen aan het gemeerze recht. A1 hetgeen door de .
Grondwet van 1848 op die wijze is tot stand gebragt,
stel ik op hoogen prijs." Thorbecke voegde er bü : li
,,Men heeft dikwerf in deze discussie gezegd: Kerk
en Staat zgn gescheiden .... Wat beteekent schei-
ding van Staat en Kerk? Dat er tusschen Staat en
Kerk geenerlei betrekking, niets meer gemeen is?
Mij komt dat niet zóó voor. Scheiding van Staat en
Kerk beteekent, dat de kerkgenootschappen in den p
,_ Staat bestaan enkel als particuliere genootschappen.
l En waarop is de scheiding in die beteekenis gegrond? l K
i Op het onderscheid in wezen en doel tusschen de ,
n regts- en godsdienstmaatschappij" 1). Later, in 1857, l
sprak hü : ,,Wat mij aangaat, de beteekenis van de stel-
ling: staat en kerk zijn gescheiden, is eenvoudig deze:
dat de staat geen kerkelijk karakter heeft, en de kerk vol-
komen vrij is"; en in 1868: ,,M§ns inziens moest eene
, kerk noch eenig politiek karakter noch eenig deel aan
het bestuur van den staat hebben, zoo min als de staat [
deel behoort te hebben aan het bestuur van de kerk" 2). ï~
1) Hmzdelingerz. II. bl. 490.
2) Zie Smnr, t. a. p. bl. 27. ,
Qi
si