HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 30

JPEG (Deze pagina), 588.99 KB

TIFF (Deze pagina), 5.39 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

,,¢‘ç'JY '•`ï"?¥"1·-.‘,:­~s 1. .. ­ .»,·,­­­­,,·­..,`..` ,__,__,_,T,,_, _ A __ Y , «
. A ç'
24
168 behoort, ten opschrift heeft, niet: van de kerk of
van de kerkgenootschappen, maar: van de godsdienst.
En welke beteekenis heeft onder dien titel art. 168? f
_ Reeds in de Kainerzitting van 5 Dec. 1853 is het V
duidelgk uitgesproken door den Heer Blaupot ten
Cate: ,,art. 168 der Grondwet maakt, dat er eene s
· aanraking tusschen de Kerkgenootsohappen en den Staat
moet bestaan. Die betrekking is van finantiëlen aard;
en de vraag, zuiver gevat, moet dus luiden: is de
aard van die betrekking zoodanig, dat zij afzonderlijke
ininisteriën van Eerediensten doet noodig zijn ?" I)
· En ten overvloede is het in de Ministerieële Dispositie
van 29 Juli 1868 nadrukkelijk gezegd ,,dat naar het
tegenwoordig Staatsrecht de Godsdienstleeraar uitslui-
tend dienaar der kerk, en niet ook landsambtenaar is,
en dat de kennisgeving van approbatie en bevestiging
lgeen andere dan een fiscale beteekenis heeft, om aan
de Algemeene Rekenkamer rapport te doen toekomen _ ll
van de inutatiën die in het personeel der Godsdienst- V
leeraren hebben plaats gehad" 2). In de zitting der i
2de Kamer van 20 Aug. 1853 heeft Thorbecke met
instemming herinnerd aan hetgeen Groen van Prins-
terer vroeger inet deze vvoorden gezegd had :- ,,De zelf-
standigheden der gezindheden, die in vroegere jaren
~ zoo dikvvüls met woord en daad voorbügezien werd, de b
vrgheid der Kerk, is tegenwoordig ook in ons Vader-
1) Handelingen, III. bl. 405.
2) Zie Vos, t. a. p. bl. 164.
l .
5,
K