HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 20

JPEG (Deze pagina), 605.86 KB

TIFF (Deze pagina), 5.48 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

14 i
denkt, wier begeerten in stilte uitgaan, hetzg naar `
een nieuwe Staatskerk, hetzg naar een verjongden
Kerkstaat. Maar als men eenmaal belgdt: ,,ja, ook l
ik ben voor de scheiding," en dus het beginsel aan-
vaardt, dan moet men ook, het spreekt vanzelf, de
gevolgtrekkingen willen, die er wettig uit worden
. afgeleid.
Doch als de scheiding nu eens bestaat? ’t Is maar
de vraag, wat men bedoelt. Want wat beteekent
eigenlijk die formule: ,,Scheiding van Staat en Kerk ?"
Ik waag mg voorloopig niet aan een theorie. Niets
is misschien zoo leerzaam, maar niets ook zoo ver-
bgsterend als de ontdekking, waartoe men komt zoodra
men de zaak van de theoretische zgde gaat bezien, i
dat die formule, hoe eenvoudig en duidclgk zg ook
schgne te zgn, toch inderdaad alles behalve ondubbe1­ `
zinnig is, en tot velerlei spraakverwarring aanleiding j
geeft. Ja zelfs niet alleen waar het aankomt op de
beoordeeling van den actueelen toestand, maar even-
zeer reeds bg de vraag naar het al of niet aanwezig
zgn van het beginsel in de wetten van onzen Staat.
. Aan de ééne zgde wordt beweerd, dat het ,,aan geen
twgfel kan onderhevig zgn, of scheiding van beide is
een hoofdbeginsel van ons huidig Staatsregt/’ 1) En ‘
vlak daartegenover staat het betoog van een niet I
mindere autoriteit, die toch ook waarlgk niet als i
staatkundige tegenvoeter van den vorigen kan worden
1) Mr. H. J. SMIDT: Scheiding van Staat en Karl:. bl. 21.