HomeBeschouwingen over art.168 der Grondwet en de voorstellen tot herzieningPagina 13

JPEG (Deze pagina), 619.19 KB

TIFF (Deze pagina), 5.39 MB

PDF (Volledig document), 46.59 MB

___ ,| __,_ Y ,______ _,,, -..a.,.......­.,.v.
I 7
1 en van voorlichting door niemand voorbarig zal genoemd
worden.
’ Maar ook evenmin overbodig. In de commissie voor
Grondwetsherziening hadden achttien mannen van naam
zitting en stem. Wanneer men nu ziet, hoe weinig
eenstemmigheid er op het stuk van art. 168 gevonden
is onder dat achtbaar getal van beroemde en uitne-
mende staatslieden en rechtsgeleerden, ja hoe het ver-
schil juist te dien opzichte het allergrootst gebleken
jl is, dan is dat ééne feit reeds genoeg om ons te waar-
schuwen, dat men met dit artikel komt te staan voor
eene uiterst moeilijke en teêre kwestie, zooals er
nauwlijks eene andere is.
Het door die commissie openbaar gemaakt verslag,
hoe onschatbaar en betrekkelijk volledig het ook zij,
geeft ons nog niet eens een volledig beeld van hetgeen
Q al de verschillende leden ook ten opzichte van art. 168
li al of niet mogen hebben wensohelijk geacht.
Immers op bl. 3 van het Rapport wordt het met
I zooveel woorden gezegd: ,,Ook voorzoover dus geen
gebruik is gemaakt van de verleende bevoegdheid om
het afwükend gevoelen in afzonderlijke nota’s te formu-
leeren, mag daaruit niet het ontbreken van zoodanig
afwijkend gevoelen bij eene minderheid worden afge-
leid." Hoe groot de meerderheid was, welker wenschen
met betrekking tot art. 168 in het voorgedragen ,, Ontwerp
der gewijzigde Grondwet" bepaaldelijk zijnuitgedrukt,
kunnen wij niet weten. Maar zeker is het, dat minstens
zes leden van de achttien een afwükend gevoelen
I
I
9
I I
I (