HomeDe continuiteit in den ontwikkelingsgang der natuurkundePagina 30

JPEG (Deze pagina), 812.76 KB

TIFF (Deze pagina), 8.25 MB

PDF (Volledig document), 25.74 MB

l ` '28 ‘ v
dOOI' GBIIG dI'11l{VBF1'I160I'dGI‘lI1g Väll 1 atmosfeer 110g gêêll ‘ `
nl duizendste deel vermindert, dat het water opgesloten moet
Y worden in een vat, dat door die drukvermeerdering een grooter
. volume inneemt, dit echter, ten gevolge der elastische nawer­ n
gy l . king, niet oogenblikkelijk, maar eerst na een kwartier, soms na
. 5 uur bereikt, gedurende welken tijd gezorgd moet worden, dat
de temperatuur niet verandert, dan is het duidelijk dat slechts
door uiterste zorg en groote nauwkeurigheid een resultaat I
9 verkregen kon worden dat de proeven van REGNAULT, GRASSI
en JAMIN overtreft.
Eene derde taak, die aan de metende natuurkunde toekomt, _
l ' is het onderzoek naar de geldigheid eener gestelde hypothese.
Zoo kon, om uit de tallooze voorbeelden slechts een te kiezen, i
de onderstelling van OLAUSIUS, dat het Thomson’sche effect op F
_ te vatten is als een bizonder geval van het ]?eltier’sche , daar de l
ongelijk verwarmde deelen van hetzelfde metaal ten gevolge van i
i de ontstane structuurswüzigingen zich als verschillende metalen
zouden gedragen, slechts getoetst worden door meting; toen E
het bleek dat in het vloeibare kwikzilver het bedrag van de
zelfde orde was als in vaste lichamen (dehelft van het be- V y
drag in platina) kon de hypothese van CLAUSIUS niet meer
aangenomen worden; evenmin bevestigden de metingen van E
het Thomson’sche effect bg verschillende temperaturen de on- ,i
derstelling van TAIT, dat het evenredig zou zijn met de abso-
l lute temperatuur. j
Hebben wij uit de geschiedenis het bestaan der beide rich-