HomeRechtsgeleerde adviezen in zake het kerkelijk conflictPagina 15

JPEG (Deze pagina), 776.90 KB

TIFF (Deze pagina), 7.10 MB

PDF (Volledig document), 41.67 MB

’l
l

·>ï
. I3
en van ’t Class. Best. zelve dd. 22 jan. I), was de eenige reden
gelegen in twee feiten:
10. het besluit tot ov erwegin g, en
20. dat tot g 0 e d k e u r i n g van zekere voorgestelde wijzi-
gingen in een reglement;
I beide dus daden gepleegd door de betrokken predikanten, ouder-
lingen en diakenen in hunne qualiteit van leden van den Kerkeraad,
dus als ,,leden van een kerkelijk Bestuur als z00danig” (Regli.
i O. en T. art. 39). Het geldt mitsdien een ambtsmisdrijf
I Ware dit gepleegd door een lid van eenhooger Bestuur dan
' de Kerkeraad, b.v. door een lid of al de leden van een Classikaal
. B of Provinciaal Bestuur, dan zou de aanklagt het Classikaal Bestuur
V hoogstens 2) hebben bereikt te r fine van onmiddellijke do0rzen­
i ding (O. en T. art. 41); voorloopig onderzoek zou het in geen
> dier gevallen bevoegd geweest zijn in te stellen, en veel min dus
i zou het provisioneele schorsing, als gevolg van dat onderzoek,
hebben kunnen uitspreken.
4 Daartoe zou echter het Hooger Bestuur, dat de aanklagt onder-
zocht, evenmin bevoegd geweest zijn. Het moet immers (art. 50
, al. 1 in fine en art. 52 in fine) dat onderzoek inrigten
naar de bepalingen van Hoofdstuk I; -­ en art 48 staat in
Q Hoofdstuk II.
« Volgens het Regi. v. O. en T. kan dus provisioneele schorsing
f nooit uitgesproken worden tegen leden van hoogere besturen
g l wegens a m b t s mi s cl r ij v e n; tegen alle, zelfs tegen den Presi-
i dent van de Synode, daarentegen wel wegens verkeerdheden in
. 1) Mein. v. Cons., p. 98 en 104, IOS, - _
2) Dit hangt af van de vraag of in `t Besluit op de Correspondentie van 3 Aug.
1853 sub. 3g een beklag tegen personen al of niet is een geval ten deze gelijk-
staande met een beklag volgens Art. I4 Alg. Reglï. l
A ' Het woord tersto n d in art. 4I wijst duidelijk aan, dat het voorloopig onderzoek
I bedoeld in art. 44. 30 Alg. Reglt. zich in dit geval niet mag uitstrekken over iets
tg anders dan de vraag of de geïncrimineerde inderdaad lid van een hooger bestuur is,
en naar welk collegie mitsdien de stukken moeten doorgezonden worden, en of het
feit werkelijk zou zijn een misdrijf door hem als zo odanig gepleegd. Een veel
minder omvangrijk voorloopig onderzoek dus. dan dat van art. 48 O. en T.
I