HomeHet arbeidersvraagstukPagina 32

JPEG (Deze pagina), 764.00 KB

TIFF (Deze pagina), 6.67 MB

PDF (Volledig document), 50.34 MB

30
heden en goeden wil, van vraag naar diens arbeid en van
alle gelukkige of ongelukkige omstandigheden, onder welke
gelukkige of ongelukkige omstandigheden wel in de eerste
plaats een levendig of een verstoord onderling ruilverkeer
in aanmerking mag komen. `
De stelling dat de winsten stijgen naarmate het loon
daalt, kan aan ADAM SMITH en Dnvrn Rrcnnno vergeven
worden; ten hunnen tijde verkeerde de zoogenaamd klassieke
wetenschap in hare klassieke .... kindsheid. - Haar op
dit oogenblik vol te houden ware onvergeeflük; zij is in
strijd met elke gezonde theorie en met de meest alledaagsche
feiten.
Hoe Mr. W. O. Mans, en zooveel anderen met hem, er
toe kunnen komen om aan te nemen, dat de belooning van
den arbeid daalt naarmate de kdpizfddlwmfe stijgt, is mij
onbegrijpelijk.
Om zulks staande te houden is Mr. Mans verplicht van
de veronderstelling uit te gaan, dat wietáegenstadnde eene
nrrenteveraozdeor/lenig, de geldswaarde van de gezamenlrjke som
,,van voorwerpen, welke het maatschappelijk voortbrengsel
,,vormen, dezelfde zal blüven" (T).
,,Dizf acumemende", zoo vervolgt Mr. Mans, ,,kan ons ge-
,,makkelijk blijken welke verandering met eene renteverlaging
,,in de geldelijke inkomsten van arbeiders en van kapita-
,,listen moet ontstaan" .... de gezamenlijke arbeiders zullen
,,voor hunnen gezamenlijken arbeid evenveel meer geldswaarde
,,ter hunner beschikking bekomen, als de kapitalisten mmcler
,,ontvangen."
Wat hier bewezen moet worden, wordt dus eenvoudig
verondersteld.
Mij komt het vrij wat duidelijker voor, dat, indien de
kapitaalrente daalt, dit zal gepaard gaan met daling van
den prijs der voortbrengselen waaraan het kapitaal heeft
(-j·) Overzicht van eenige Hoofdstukken der Staatliuishoudkunde, bladz. 112.