HomeHet arbeidersvraagstukPagina 30

JPEG (Deze pagina), 766.23 KB

TIFF (Deze pagina), 6.69 MB

PDF (Volledig document), 50.34 MB

‘ 1
l'
28
En toch, de conclusiën, die hierin liggen opgesloten, zijn
menigvuldig en liggen voor de hand. Zij geven den sleutel
tot de vraagstukken der bevolking, der armoede en tot vele
andere.
Will toch de hoeveelheid van ieders aandeel in verhouding °'
staat tot de waarde van ieders inbreng, kunnen en die
inbreng en dat aandeel grooter of kleiner worden zonder
aan anderen te schaden.
Arbeidt een mensch overvloediger, dan onttrekt hü daarom
geen arbeid aan de andere menschen. ,
Komt er een mensch meer op de wereld, dan behoeft er
geen ander mensch voor hem weg te blijven.
Bezit de eene mensch veel goederen, de andere weinig, ‘
dan bezit de eerste zijn rijkdom niet ten koste van de
overige leden der Maatschappij; de tweede is niet arm ten
voordeele zijner medemenschen.
En evenzeer antwoord ik aan de rij van economisten, die
de stelling verkondigen, dat er voor den werkman gebrek
aan werk kan ontstaan uit te groote vermenigvuldiging zijner _ *
klasse , en dat vermeerdering der bevolking de strekking
heeft de loonen te doen dalen: Neen, dat is niet zoo, -
want ieder werkman neemt uit de maatschappij, in den vorm
van voedsel, kleeding enz. voor eene zelfde waarde aan
arbeidsproducten terug als hij arbeidsproducten aan haar
afstaat.
Korter uitgedrukt: ieder mensch verschijnt op het wereld-
tooneel niet alleen met zijn arbeid, doch ook met zijn be-
hoefien.
Zün arbeid ontneemt schijnbaar werk aan de Maatschappij ,
zijn behoeften schenken haar dat werk terug, en steeds in
dezelfde verhouding; want, hetzij hij verteert, hetzij hij be-
spaart, voor geen andere waarde ontvangt hij arbeidspro­ °
ducten uit de gemeenschap, als waarvoor hij arbeidsproducten
aan haar afstaat.
En kon de mensch in volwassen toestand ter wereld
l