HomeHet arbeidersvraagstukPagina 14

JPEG (Deze pagina), 770.17 KB

TIFF (Deze pagina), 6.78 MB

PDF (Volledig document), 50.34 MB

. /
7 ` ” lr
12
heeft meer geluk dan de andere; en de behoefte aan ieders
arbeid met en benevens gelukkige of ongelukkige omstan-
digheden zullen steeds voor een groot gedeelte de waarde
van ieders arbeid bepalen.
Den patroon een verwrit te maken van de minder gunstige "
toestanden van het werkvolk is eene dwaasheid.
Men kan evenmin van hem vergen dat hij een hooger
dan hem passend loon uitkeert, als dat men van hem verge
dat hij aan meer menschen werk geeft dan hem lijkt; en
mocht, hetzij de wet, hetzij het geweten, hem kunnen ver-
plichten tot uitkeering van hooger loon dan bestaanbaar is
met de instandhouding zijner zaak, dan kunnen toch noch
wet, noch geweten hem beletten zijn inrichting te sluiten,
zijn werklieden weg te zenden en in ’t geheel geen loon
meer uit te keeren.
Maar meer dan wet en geweten doen de omstandigheden,
de vraag naar arbeid en de mate van behoefte aan werk-
lieden deze laatsten tot hun recht, en hun arbeid tot zün
· werkelüke waarde komen. 1
§ 2.
Met het oog op het gezegde in de vorige paragraaf kan
het wellicht nuttig zijn een oogenblik onze aandacht aan
den persoon des werkgevers te wijden.
De waarde van diens arbeid wordt door geen andere wet-
ten geregeld dan die van den arbeid züner lieden.
De werkgever is op zijne beurt de werkman van het .
publiek; hetzij hij, even als de handwerkbaas, in directe
verbinding daarmede staat, hetzij hü arbeidt voor groot- _
en kleinhandelaar en dezen wederom hun diensten aanbieden ,
aan het publiek, waaronder de werkman eene voorname a
plaats bekleedt.
Een ieder is dus op züne beurt werkgever en werkman;
een ieder afhankelijk van de vraag en de behoeften van
anderen. Biedt de werkgever iets aan waarvoor bij het