HomeDe 'Bede' van dr. A. Kuyper, afgewezen door dr. A. W. BronsveldPagina 22

JPEG (Deze pagina), 786.09 KB

TIFF (Deze pagina), 7.27 MB

PDF (Volledig document), 47.54 MB

20 L
1.772 de mannen waren samengekomen te ’s Gravenhage, die aan
onze Kerk eene betere berijming der Psalmen zouden bezorgen,
hebben zij ,,begrepen, dat het best ware, over het algemeen, den ,,
Heer B. Huydekoper in deszelfs Proeve van Taal- en Dichtkunde
· te volgen? ‘) Wat hebben deze bekwame dienaren der kerk, aan
wie ook onze taal- en letterkunde veel verplicht zijn, besloten
omtrent het woord Heer? Van Iperen deelt het ons meê:2) ,,Het
woord Heer, of Heere, zal men dus buigen: 1. Heer, 2. des Heeren i
of van dev. Heere, 3. den Heere, of aan den Heere, 4. den Heer,
5. 0 Heer; en als de Gedenknaam Jehovah wordt uitgedrukt, zal
men HEER schrijven, met groote letteren." In de gebeden en ·
officiëele Toespraken, waarmede die achtbare Vergadering geopend
en gesloten werd, wordt tot en over God bijna altijd gesproken met
het woord Heer.
Wanneer wij dit alles in aanmerking nemen, dan is het volko-
men begrijpelijk, dat van der Palm in zijn Bijbel op Gen. ll:4
kon aanteekenen: ,,Eenige weinige plaatsen uitgezonderd, is het oud
gebruik hier behouden, ook daarin, dat overal waar het woord nl
‘ Heer voor Jehova of voor het verkorte Jah is gebezigd, hetzelve
met groote of kapitale letters, HEERE of HEER, is geschreven/’
Wat dit laatste verschil betrof - van der Palm ging daarbij ken-
nelijk te rade met de welluidendheid en schreef dus: ,,HEERE God,"
maar ,,de HEER," als dit op zich zelf stond. Hierin is hij 0. a.
gevolgd, niet alleen door het Nederlandsche Bijbelgenootschap, maar
ook in eene uitgave van het Oude Testament, te Londen in 1842
gedrukt, waar tegenover den Hebreeuwschen tekst de Nederlandsche
is geplaatst.
Wat kon ik nu anders doen in den onder mijn toezicht uitge-
geven Staten­Bijbel, die naar de hedendaagsche spelling gewijzigd
is? Bogerman en zijne medestanders hebben, dit bleek ons, aan
’1) Zie J osua van lperen, Kerkelijke Historie van het Psalmgezang der Chris-
tenen. l. bl. 360. .
2) t. :1. pl. 362. ,