HomeDe 'Bede' van dr. A. Kuyper, afgewezen door dr. A. W. BronsveldPagina 19

JPEG (Deze pagina), 858.24 KB

TIFF (Deze pagina), 7.16 MB

PDF (Volledig document), 47.54 MB

*•;.. .
ll
ll in Exod. VI, Hosea XII, Jerem. XXIII moet behouden worden,
l daar anders de zin duister worden zou."
!.__ Bij dit taalkundig debat, vooral over het dv, en ghg, schijnt een
jl opgewekte toon geheerscht te hebben; althans iemand, die er bij
geweest is, zegt: ,,dit was een aardige beazelpraat (jucunda nugatiol;
j vele toehoorders lachten tegen mij, omdat men met zooveel ernst
gl en deftigheid sprak over de woorden da en ghy."
ll; Wat blijkt nu uit deze authentieke mededeeling? Dat van de
lj! toonlooze e achter ’t woord Heer in de Synode geen spraak is ge-
weest, maar dat men heeft besloten: wij zullen ’t woord Jehova
lj vertalen; en wij zullen het woord HEERE, waarin wij ’t over-
`j brengen, steeds drukken met groote letters. In de Staten­vertaling
vinden wij dan ook ter plaatse, waar in ’t Hebreeuwsch voor het
ï·l_ eerst het woord Jehovah voorkomt (Gen. 2 : 4) met kennelijken
terugslag én op Marnix én op hetgeen te Dordrecht was besloten,
dit aangeteekend op de kant: ,,Na de voleyndinge van ’t werck der
Ԥ_ scheppinge, wort hier aldereerst Gode den naem van Jehovah
gegeven, beteeckenende den selfstandigen, selfwesenden, van hem-
l selven zijnde van eeuwigheyt tot eeuwigheyt, ende den oorspronck
lt, ofte oorsake van ’t wesen aller dinghen; daerom ook desen naem
F den waren Godt alleen toekomt. Onthoadt dit eens voor al: Waer
l gy voortaen het woort HEERE met groote letteren geschreven vint,
` dat aldaer in ’t Hebreeusch het woord JEHOVAH, ofte korter
A JAH, staet."
’ Het is duidelijk: niet de E achter dit woord, maar de groote
l letters, waarmee het geschreven of gedrukt werd, moesten kenbaar g
j maken, dat men hier had te denken aan het hoogste Wezen. Achter I
l hoevele woorden, waar men dit thans niet meer doet, schreef men 1
in ’t begin der l7@ eeuw nog een el .De gedachte, dat men daar- I
I door aan die woorden een karakter van statigheid bijzette, was
daaraan ten eenemale vreemd. Ik kan daarvan bijv. niets vinden
in J osua 2 : l , alwaar ik lees: ,,Josua nu, de sone Nun, hadde twee
X, mannen., die heymelick verspieden souden, gesonden van Sittim,
seggende: Gaet henen, besichtight het landt ende Jericho. Sy dan
Q
E ­ X

ál