HomeMijn leesboek voor de volksschool getoetst aan "Een Nederlandsch Belang" van den Heer H. Hemkes KznPagina 8

JPEG (Deze pagina), 955.70 KB

TIFF (Deze pagina), 7.32 MB

PDF (Volledig document), 63.03 MB

i · l
E 6
laarneraden de trap oploopt, aangezien hij dat me! zäne beenen doet?
Als ik het wist, had ik eenen naam voor genoemden heer, die bij den
zin van Winkler Prins: ,,Men bevindt zich op het gebied der naald-
boomen, die zich hier met hunne onderscheiden soorlen aan de rots- j *
klompen vasthechten", aanteekent: ,,Bij ons doen zij dat met hunne _
ze/orfeZs." ‘ _
Er behoort eene niet geringe mate van taalkennis of zelfvertrouwen j
toe, om over het Nederlandsch van schrijvers als Bilderdijk en Con- {
science den staf te durven breken. Maar de Hr. Vorsterman van Oyen
heeft die kennis - of dat zelfvertrouwen. De dichter zingt: ,,’t Open
roosje, rijk van blad, Zei aan ’t nog gesloten knopje: enz. - ,,De ‘
A ' winter heeft met kille hand ..... ’t frisch tapeet van ’t groenend land, Q
W Met gras en kruid en spruit en plant .... Voor goeden präs benaderd," j
doch dit is verkeerd. Tenminste de Hr. Van Oyen zegt het. al
i ,,Hunne wereld had enge grenspalen", zegt de Vlaamsche
j novellist, doch de heer Van Oyen zegt, dat het niet deugt, en dan {I
i zal ’t wel zoo wezen. Hij houde mij slechts ten goede, dat ik glim­ Q
. lach om zijne aanteekening: ,,lange, dikke, korte grenspa­
le n, maar enge/" Eer hij veroordeelde, had hij eens moeten *
bedenken, dat er niet van één engen paal, maar van enge palen i
l gesproken wordt, zooals men ook spreekt van enge wanden, enge
muren, en voorts, dat wij ten gevolge eener zeer gewone metonymia
t hier blijkbaar niet aan de gezamenlijke palen, maar aan de daardoor
‘ omsloten ruimte moeten denken. (Verg. het woord lnin, dat heg {
t beteekende). ‘
t Ik vestig op dit voorbeeld even de aandacht, om in het algemeen dé
opmerking te kunnen maken, dat het juist de metonymia’s zijn, waar-
mee sommige onderwijzers niet zeer vertrouwd zijn; want juist onder
j de vele ongegronde opmerkingen, die mij nu en vroeger gemaakt zijn, _ jj
j heeft de meerderheid haren oorsprong te danken aan eene miskenning g
j van deze zoo veelvuldig voorkomende taalfiguur. Zoo kwam de rustende
E hoofdonderwijzer van straks er toe (ik moet den man nog even lastig j
· vallen) het volgende te veroordeelen: ,,Brandspuiten rollen over de
l straten"; zoeäes murmelt de beek" ; ,,velden, weiden vol bloemen"; ¥
i ,,Regendropje, regendropje, val maar op mijn bloote kopje, kletier J!
l tegen ’t vensterglas". De heer Hemkes is van dezelfde leer, doch i'
j daarover later. Laat het voorgaande voldoende zijn, om een denk- `
j beeld te geven van den aard der op- en aanmerkingen, die ik
soms ontvang, maar telkens gemeend heb onopgemerkt te moeten
l laten. Gelukkig, dat ik ook meer dan eens vingerwijzingen heb gekre­·
l ` ‘ E
[ <
l ‘