HomeMijn leesboek voor de volksschool getoetst aan "Een Nederlandsch Belang" van den Heer H. Hemkes KznPagina 53

JPEG (Deze pagina), 915.63 KB

TIFF (Deze pagina), 7.25 MB

PDF (Volledig document), 63.03 MB

51 ­
heem. B V, 12. ,,Verouderd" staat daarbü. Het is waar, Prof. De Vries N
is niet jong meer. Hij heeft het zeker als herinnering uit zijne jeugd g
nog geplaatst in zij’ne`Woordenlüst. Y.
heemhond. B III, 57. ’t Aohterstuk is goed, ’t voorstuk is goed. ­- ix
Over ’t geheel, zie de opmerking van Prof. De Vries, pag. 50. I
turfpijp. B IV, 44. Wordt in verschillende streken van ons land gebruikt. _`
2 Is turfkoker beter? Van Dale zegt op tarfkokerz ,,eene soort van pijp g
f of buis" enz. - De samenstelling is daardoor duidelük verklaard. S
E si garenbeker. B IV, 43. - is een beker, waarin men sigaren aanbiedt.
« Dat men zoo’n ding elders niet kent, is niet mäne schuld. Zoodra een
* Hollander in ’t Noorden komt, moet hij het als Nederlander kennen.
’ ademsnik. A V, 65. Het Woordenboek heeft dit woord niet, omdat de
samenstelling duidelijk is, (zie boven pag. 50) - maar op kolom 802 van E
het 1ste deel staat: ,,¢le laatste ademhaling, hetzelfde als: de laatste 1
adem, de laatste snik vang, een stervende." De Heer Hemkes kan daar-
mee tevreden zijn. I
toegepakt. B IV, 61. Volgens Van Dale een geweslelük woord. Ik leg J
mij voorloopig bü zijn oordeel neer, ofschoon ik er niets Onnederlandsch
in zie. Het woord deugt niet.
U veldruiker. B IV, 22. Eene veldbloem is eene bloem, die op het veld
groeit - een veldruiker, een ruiker, op het veld geplukt. - Ik ver- A
wijs weer naar bovenstaand citaat uit de Inleiding van het Woordenboek .
` over de samenstellingen. Het woord is op de aangeduiele plaats vol-
komen duidelük.
oogwachter. B IV, 51. Lees het in verband. Daar staat in eene les over
het kaar: ,,,,Wat zoudt ge vaak jammeren, ,,ik heb iets in mün oog,"
wanneer de oogkaren niet voor oogwachter speelden."" Zie boven, Prof
De Vries’ opmerkingen. Niemand zal het in zijn hoofd komen, op het
gebied der natuurlijke historie te zeggen: ,,de oogharen zijn 00gwac7zters."
Maar in eene meer vrije beschouwing zal ele vergelüking van de oog- _
karen bij eenen wachter, die zo1·gt tegen het binnendringen van vreem-
delingen, zeer aansehouwelijk, in allen gevalle passend zijn.
Yi` eikelün. B IV, 59. Een kleine eik. Mocht de dichter Van Droogenbroeck
j niet eene enkele maal, als de eik nog zeer klein is (in zijn allerliefst
Q versje over den eik) spreken van een eikelän, terwijl zooveel andere
dichters wel spreken van maagclelijn, bloemelün, enz.?
j Tot zijne spijt zal de Heer Hemkes ontdekken, dat van de 12 zonden
slechts 1 overgebleven is, die ik voorloopig onder de mijne zal rekenen.
Ik zal die 1 eerlijk bij de andere zonden optellen. v
4*