HomeDe Koninklijke Nederlandsche MarinePagina 29

JPEG (Deze pagina), 789.07 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 54.99 MB

al

29
i
zaak noodig, en dit is een van de hoofdrichtingen, waarin de
oefeningen van het personeel der zeemacht moeten geleid
worden.
Komt de vijandelijke macht, die reeds belangrijke schade
kan hebben bekomen, bij onze intact gebleven hoofdmacht
op het Pampus, en wordt zij daar verslagen, dan bestaat Tiä
er groote kans dat geen zijner schepen de Zuiderzee
weer verlaat, maar dat allen genomen of vernietigd zullen
worden. Dit zal niet het geval zijn, wanneer wij reeds in ij.
het Vlie slag leveren.
De positie op het Pampus biedt daarbij nog het voor- Q,
deel aan, dat wanneer er onder onze vaartuigen zijn, die door
het vuur van den vijand zoodanig beschadigd zijn, dat C
zij het niet meer drijvende kunnen houden, zij zich op
het Muiderzand kunnen zetten en daarom toch nog niet
verloren zijn. .
. Op het Pampus zijn onze schepen minder dan in de grootere y"
diepte van het Vlie, waar de vijand beter manoeuvreeren J
kan, blootgesteld aan het gevaar van geramd te worden, ij
en kunnen zij gesteund worden door de kustbatterijen van
Muiden, wanneer deze van voldoend zwaar geschut voor- ik
j zien zijn. Eene batterij van een paar stukken bij den
vuurtoren van het IJ zoude daarbij evenwel nog betere
diensten kunnen bewijzen. V
Van de schepen, die het Vlie kunnen binnenkomen, maar
niet verder kunnen doordringen dan tot in de Middelgronden,
hebben wij naar mijn oordeel weinig te duchten. Die
schepen moeten of daar ankeren, of zij varen zich ergens V
I vast; in beide gevallen bevinden zij zich op een grooten P
afstand van de kust en kunnen weinig schade doen, j
terwijl zij aan de aanvallen van onze scheepsmacht zijn j
_ blootgesteld en de vrijheid van beweging missen, die zij
lj noodig hebben om zich behoorlijk te kunnen verdedigen.
·v Ook al wordt op het Pampus een vast fort gebouwd, j
Q of daar een drijvend fort gelegd, dan mag daarom de voor- V
ao l
1
j a
E: jj.