HomeDe historische beoefening der Nederlandsche letterenPagina 30

JPEG (Deze pagina), 835.28 KB

TIFF (Deze pagina), 8.18 MB

PDF (Volledig document), 30.24 MB

28
vernemen hebben wij, benevens litterarische fantasieën
R en monografieen, inzonderheid gelijktijdige bescheiden
te raadplegen, te luisteren naar de stemmen van lof
en blaam, waarmede de kunstwerken zijn ontvangen
door gildebroeder, kunstrechter en tijdgenoot. Niet de
bundels zelven maar de eer- en lofdichten, waarmede _
het weleer gewoonte was ze in te leiden bij het publiek, ç
vertrouwelijke brieven, spectatoriale geschriften, werken
als de ,,Borstwering" van Rodenburg, de ,,Dichtkunst" {3
van Pels - dat zijn de tolken der openbare meening
in de republiek der letteren. Inzonderheid litterarische
geloofsbelijdenissen en zelfbeoordeelingen, de eigene
getuigenissen en bekentenissen der kunstenaars zijn in
dezen van onschatbare waardij.
Als Rodenburg b. v. verklaart: ,,lck heb immer het
oog-mick ghehadt, in alle myn rymerijen, dat die
mochten verheuglijck zijn, en stichtich: ’t welck oock l
is de rechte natuure en aerd van de Poëzye: die ze
anders ghebruycken, misdoen deze lof­waerde en over-
treffelijcke o'effeningh"1); als Vander Myl van Johanna
Coomans kweelt: i
,,My wonder docht, dat in haer had ghescholen,
End’ langhen tijt gheweest had soo verholen
Een rechte geest end' aer van Poësy",
en dan dien rechten geest en ader van poëzie om-
schrijft als
,,Een saken­v1oet met een stel-konst daer by"; 2)
als Oudaan zich overtuigd houdt, dat
‘) jonckbloet, t. a. pl., I, bl. 208, noot 2. L
{ 2) Zeewcáe Nav/ziegael, Sedan-sang, bl. 34, (1623). ­.
,
r
2 ?
G
. l