HomeDe duinwaterleiding van 's-Gravenhage (in exploitatie sedert 24 October 1874)Pagina 7

JPEG (Deze pagina), 0.97 MB

TIFF (Deze pagina), 8.76 MB

PDF (Volledig document), 26.98 MB

X t
5
adviseur op te treden, verklaarde die uitnoodiging niet te
kunnen aannemen, omdat hij, zooals boven bleek, als lid en
ondervoorzitter der choleracommissie zich reeds had uitge-
sproken ten gunste eener meer algemeene Maaswaterleiding,
die ook Den Haag omvatte. Nadat de hoofdingenieur van
den Waterstaat J. F. Auoma eveneens bedankt had, vond men
den generaal-majoor­ingenieur J. P. DELPRAT bereid zich be-
schikbaar te stellen.
Zijn rapport, onder dagteekening van 25 Maart 1867 aan
Burgemeester en Wethouders uitgebracht, is in meer dan een
opzicht merkwaardig en van historische beteekenis.
Voorgelicht door adviezen van den hoogleeraar in de schei-
kunde E. H. von BAUMHAUER en van den bekenden geoloog dr.
W. C. H. STARING, destijds inspecteur van het middelbaar
onderwijs, is de rapporteur van oordeel, dat ,,voor het voor-
zien van de stad ’s-Gravenhage van goed drinkwater, tevens
geschikt tot wassching met zeep, water moet worden aanbe-
volen uit de duinen op de plaats, waar geen veen is", zulks,
wat het laatste betreft, aangezien ,,door filtratie de in het
veen voorkomende zelfstandigheden niet kunnen worden ver-
wijderd". Om die reden wordt tegen het aantasten van het
veen, waarvan hij onderstelde, dat het in een doorgaande laag
onder de duinen voorkwam op ongeveer 1.10 m beneden D. P.,
nadrukkelük gewaarschuwd. Voorts becijfert hij voor de dui-
nen tusschen Scheveningen en het Wassenaarsche Slag een
mogelijke wateronttrekking van 7,,5 ms per dag en per H.A.
en meent hü, ook in droge jaren, door middel van open
kanalen boven de veenlaag, voor de aangeduide terreinen op
8 à 10.000 ms water per dag staat te kunnen maken, een hoe-
veelheid z.i. voldoende voor een toekomstige bevolking van
100.000 zielen (1) met een gemiddeld huishoudelijk gebruik
van 68 liter per hoofd en per dag. Voor straatreiniging en
rioolspoeling rekende hij op toepassing van boezemwater van
Delfland. .
Getoetst aan deze grondslagen konden van de zes inzen-
dingen (2) een viertal 11iet in aanmerking komen, en onder
deze laatste het plan eener Engelsche combinatie, KINCAID,
Romaans en Bmnvncmï, die met zeldzaam juiste intuïtie voor-
I stelden om, in afwijking van den Amsterdamschen aanleg in
(1) Blijkbaar heeft men hier meer het oog gehad op het maxi-
mum aantal aangeslotenen, waarop voor afzienbare toekomst te
rekenen viel dan op het vermoedelijke bevolkingsaccres van Den
Haag, dat in 1814 42.000, in 1831 51.500, in 1850 66.400 inwoners
telde (volgens opgaven van dr. Scnïok ·en reeds in 1875 het
aantal van 100.000 overschreed.
(2) Van deze zes inzendingen gaf dr. A. H. PAREAU in zijn lezens­
waardig werk over de ,,Geschiedenis der Haagsche waterleiding
over de jaren 1874 tot l914" een beknopte, maar duidelijke be-
schrijving.
l
( E