HomeDe duinwaterleiding van 's-Gravenhage (in exploitatie sedert 24 October 1874)Pagina 20

JPEG (Deze pagina), 0.99 MB

TIFF (Deze pagina), 8.62 MB

PDF (Volledig document), 26.98 MB

1
j
18 j
van dit deel de1· watervang op lager peil, dus in versterkte j ‘
mate mogelijk is.
Een noodzakelijk hulpmiddel in het beheer der watervang j
vormen de z.g. proefputten. Met het tot stand brengen dezer i
peilputten werd reeds in 1883 begonnen. Meerendeels zijn zij
gelegen in raaien, in het algemeen loodrecht op het tracé der
hoofdader, zooals op de situatie, fig. 1 is aangeduid. Zij i
geven de vereischte kennis betreffende de bovengrondwater­ j
standen, op meer en minder afstand van de draineerleiding. {
Tegenwoordig komen ze voor tot een aantal van bijna 70.
In 1901 deed bovendien een nieuw element in den dienst der
watervang zijn intrede, toen de eerste diepboring tot stand
kwam, met de bestemming niet alleen, dat de druk, waar- j
o11der het water in onderscheidene lagen en op verschillende
diepten verkeert, kan worden gemeten, maar ook - en van
niet minder belang - dat de scheikundige samenstelling en
in het bijzonder het chloorgehalte van het water op grootere g
diepten in den bodem kan worden bepaald. Thans zijn 22 van i
zulke observatieposten met ruim 80 waarnemingsfilters aan- 3
wezig. Die waarnemingsfilters, voorzien van opzetpijpen, van i
de noodige lengte, reiken tot diepten, liggende tusschen 15 en
180 ni - D. P. De plaats waa1· deze diepboringen in het
terrein der waterwinning voorkomen, is ook in de situatie, 1
fig. 1, aangegeven. i
Vooral de gegevens, door middel van deze waarnemings- ‘
posten verkregen, hebben in de laatste jaren aangetoond, dat i
het wenschelijk moet heeten, de bestaande draineerwerken in V j
de nabijheid der zee minder zwaar te belasten en in het alge- ?
meen het zwaartepunt van het waterwingebied te verplaatsen 9
in zuidoostelijke richting.
Deze omstandigheid heeft geleid tot de Wet van 30 Decem-
ber 1921, Stbl. 1470 ,tot verklaring van het algemeen nut der 1
onteigening van eigendommen, gelegen in de gemeente VVasse- j
naar, noodig voor de uitbreiding van de spranken der Duin- f
waterleiding der gemeente ’s-Gravenhage". Het gaat hier o1n *
de gronden, op de situatie, fig. 1, aangegeven met de namen i
Meijendel, Kijfhoek en Bierlap, met een oppervlakte van rond 3
400 lia. i
WVat het overige deel van het bedrijf betreft, meer bepaald t
dat van het Pompstation, is het stelsel van de zuivering, die 3
het uit de duingronden onttrokken water moest ondergaan,
in den loop der jaren in beginsel niet gewijzigd. Naarmate het
toenemend watergebruik dat noodig maakte, moest geleidelijk T
over meer filteroppervlakte beschikt kunnen worden. Reeds 1
in 1880 werden daaraan de bezinkingsreservoirs dienstbaar
gemaakt, door ze tot filters in te richten. Voortgaande is 1
1nen van de oorspronkelijk 3200 m2 filteroppervlakte gekomen 1
tot een totaal van 22.600 m2. l
De oudere filters bleken in de exploitatie, met name bij