HomeDe gevangenisstraf, overeenkomstig de eischen van het recht en het maatschappelijk belang ingericht, de beste der straffenPagina 11

JPEG (Deze pagina), 842.74 KB

TIFF (Deze pagina), 8.13 MB

PDF (Volledig document), 35.89 MB

· W
9
zooals de Tubinger Hoogleeraar nuso MEIJER 1.) te recht
Sp opmerkte - de vrijheid bij de Germanen zoo hoog stond
i aangeschreven, dat de vrijheidsberooving een zwaarder j
straf werd geoordeeld dan later het geval is geweest. De 1
_ Germaansche straffen waren vooral geldboeten tot afkoop
` van het door het misdrijf als uiterlijke daad tegen een bepaald
` persoon gepleegde onrecht, of de doodstraf voor den door een 1
" ­ te ernstig vergrijp zoo volkomen rechtelooze, dat die afkoop 1
‘ niet kon worden toegelaten. Gevangenisstraf was in strijd
met de individueele beschouwing der straf bij de Germanen.
Het recht was door het misdrijf wel geschonden, maar in het
individu. Waar nu de rechtsorde schier samenviel met het
’i bijzonder recht van het beleedigde individu, kon wel van
afkoop, niet van gevangenis als straf sprake zijn.
ii Het Ptomeinsche recht herwon intusschen allengs het door
__ de Germaansche rechtsbegrippen ingenomen terrein. In dat
jj recht nu stond het publiek karakter der straf op den voor- l
grond en was dan ook, gelijk reeds door ons is opgemerkt, j
ii de gevangenis als straf niet uitgesloten. De afschrikkingsdenk- . ä
Q beelden stonden echter de inrichting eene1· eenvoudige, niet
ig door folteringen verscherpte gevangenisstraf in den weg. Had 3
l men al voor kleine vergrijpen eenvoudige gevangenisstraf Q
· toegepast, de dwangarbeid der poem aparts publict of der ,
j` poem memlli was in strijd met het boetedenkbeeld van het
canonieke recht. Het pauselijke · Rome, het zoogenaamde
Q geestelijke zwaard, voerde voortdurend strijd met de keizer- 1
5 lijke Overheid, het zoogenaamde wereldlijke zwaard, en kon,
gl gedurende de middeleeuwen -­ hoe vreemd het den opper- p
ii vlakkigen beschouwer ook voorkome - aan de opvatting van l
je I) Zie zijn: >>Lclw·buclL des Dautschem Stmh‘cchts". 1882, p. 15.