HomeOntwerp van wet tot herziening der GrondwetPagina 36

JPEG (Deze pagina), 970.88 KB

TIFF (Deze pagina), 7.53 MB

PDF (Volledig document), 32.85 MB

,"" ‘ ` lg

36 Mnivionia vAN ronmonrine.
geene denkbare meening aanstoot worde gegeven. De eisch om geen
_ aanstoot te geven, is uit zijn aard eene relatieve, die zich, wat den
Q omvang der daardoor gewraakte handelingen betreft, wüzigt naar de
omgeving. Wat daardoor al dan niet geacht wordt verboden te zijn, ?
richt zich ook nu, niettegenstaande alle voorschriften van wetten en
reglementen, naar de omgeving, waarin de school staat, en naar de
kinderen, die de school bezoeken. De waarborgen, die de wet van
1857 voor de gesubsidieerde lagere scholen eischte, schijnen den
ondergeteekende in dit opzicht voldoende.
De eisch, die in het gewijzigd artikel gesteld wordt, is eene bloote
toepassing op ünantiëel gebied van het beginsel van scheiding van
Kerk en Staat. Eene inrichting, hetzij bedehuis of school, welke uit-
sluitend voor eene godsdienstige richting bestemd is, en ­­- naar den
aard der tegenwoordige godsdienstvormen -­ tevens polemisch op-
treedt tegenover andersdenkenden, is, krachtens het beginsel der schei­
ding van Kerk en Staat, uitgesloten van de zaken voor welke be-
lastingen mogen worden geheven. K
De wetgever erlangt overigens eene grootere speelruimte. De eisch
om te zorgen, dat overal van Staatswege voldoend openbaar lager onder-
wüs worde gegeven, vervalt uit de grondwet, hetgeen volstrekt niet Z,
in zich sluit, dat de wetgever het gebied van het onderwüs braak
zou mogen laten liggen. Integendeel ligt in het voorschrift, om het
openbaar onderwijs bij de wet te regelen, de erkenning van den plicht Y
van den Staat. Hetgeen vervalt, is de druk van den grondwetgever °
van 1848 over het thans levende geslacht en de nawerking van den i
geest van hen, die de vrijheid van onderwüs (zelfs binnen de grenzen
der tegenwoordige grondwet) slechts wilden erkennen en toestaan, '
indien het geheele terrein van het onderwijs zooveel mogelijk door
staatsscholen werd bezet, een geest, dien de ondergeteekende ten hoog- .
ste onvrijzinnig acht en als een overblijfsel beschouwt van de periode,
waarin de staatsbestuurders zich tot voogdij over den geheelen mensch .
gerechtigd achtten. Eerst is hun de vrijheid van geweten, daarna de {
vrijheid van godsvereering ontrukt en indien onze tijd daaraan de vrijheid {
der opvoeding toevoegt, is er weder een groote stap op de baan L
van den vooruitgang gezet. Inderdaad is de voorgestelde wetsbepaling
eene bezegeling van het beginsel der vrüheid van opvoeding, een '
beginsel, dat reeds in onze zeden is doorgedrongen, en hetwelk de
meeste voorstanders van artikel 194 meenen, dat in de grondwet
geschreven staat, omdat zij dit artikel beschouwen bij het licht der
uitleggingen, welke onze vrüzinnige wetgeving er aan gegeven heeft. ,
Dat andere uitleggingen inogelük waren, leert echter de geschiedenis l
· §