HomeOntwerp van wet tot herziening der GrondwetPagina 31

JPEG (Deze pagina), 927.61 KB

TIFF (Deze pagina), 7.74 MB

PDF (Volledig document), 32.85 MB

4
MEMORIE VAN TOELICHTING. 31
recht voorloopig verleent aan de aangeslagenen in het personeel, die
in het vorig dienstjaar niet in gebreke zijn gebleven hunne belasting
_ te voldoen, is ook hierbij toepasselijk gemaakt. i
ART. 14.
BQ artikel 147 wordt een nieuw stelsel van onteigening voorge-
steld, hetwelk eene belangrijke schrede voorwaarts brengt naar de
oplossing der sociale quaestie, en de eenige den ondergeteekende be-
kende is, welke met de eerbiediging van verkregen rechten en met
de handhaving. van het individueel eigendomsrecht bestaanbaar is. Voor
ordelijke verbetering der maatschappelijke toestanden is zeker het
eerste onmisbaar, daa1· toch de meest fantastische plannenmaker zich
wel niet zal voorstellen, dat de tegenwoordige bezitters hunne goe-
deren goedschiks om niet aan de gemeenschap zouden afstaan. En zoo-
lang, niet bij enkelen of velen, maar bij allen de liefde voor den naaste
de liefde voor zich en de zijnen niet in kracht evenaart, zal de maat- .
schappij het individueel erfelijk hezit niet kunnen missen. Want zoo-
F lang ook slechts een deel der maatschappzä zou willen leven zonder
cen evenredig aandeel in den arbeid te verrichten, moeten nood-
wendig de belooning en het uitzicht op eene bevoorrechte economische
positie de prikkels tot den arbeid blijven.
Maar het individueel eigendomsrecht behoeft niet tengevolge te
hebben, dat de vruchten van den arbeid des eenen den ander ten
deel vallen, of met andere woorden, een deel van de maatschappe-
. lijke productie toevloeie aan personen, die daartoe niet hebben mede-
gewerkt. Dit geschiedt bij het tegenwoordig rechtsstelsel, nu een
eigenaar niet alleen aanspraak mag maken op de waarde, welke hij
en zijne voorgangers aan een goed gegeven hebben, maar ook op een
deel der waarde, welke zijne opvolgers daaraan zullen geven. Iemand
is b.v. eigenaar van een aan een dorp grenzend heideveld. Wil een
ander het in cultuur brengen, dan mist hij daartoe het recht, zoo-
lang hij den eigenaar niet bewegen kan, hem den grond af te staan.
Ofschoon het voor dezen slechts als schapenweide of plaggenveld een
bagatel voordeel oplevert, vraagt hij voor den afstand van zijn eigen-
domsrecht eene aanmerkelijke som, waarmede de cultuuronderneming
van zijn opvolger wordt bezwaard. Met welk wijsgeerig-economisch
beginsel, met welk beginsel van hetgeen men vroeger natuurrecht
noemde, is dit te verdedigen? Meestal komt er door de overdreven
eischen des eigenaars niets van de ontginningsplannen, of worden die
eenvoudig onmogelijk gemaakt door den volstrekten onwil van den