HomeOntwerp van wet tot herziening der GrondwetPagina 29

JPEG (Deze pagina), 895.50 KB

TIFF (Deze pagina), 7.77 MB

PDF (Volledig document), 32.85 MB

l

t
Mmvronm v.«N_roELïcHTINe. 29
K Kamer de eigenaardige plaats. Thans kunnen die slechts erlangen,
wanneer zij genoeg door de fortuin begunstigd zgn, om op de lijst
der hoogstaangeslagenen eene plaats te vinden. Dit is een groot nadeel.
Moet in bewogen tüden tegen een voor het oogenblik door de meerder-
heid der Tweede Kamer gewenschten maatregel tegenstand geboden
worden, dan is het niet onverschillig, of het veto wordt uitgesproken
door eene vergadering, waarin vele mannen van talent zitting hebben,
of wel door eene vergadering, waartoe het talent op zich zelf geen toe-
gang geeft, maar waarvan daarentegen rijkdom zonder talent de deuren
ontsloten vindt. Zelfs al zijn de tijden ernstig, moet toch hare beslis-
sing vrijwillige onderwerping afdwingen. Deze kan alleen voortspruiten
uit den eerbied, dien de bekwaamheid der leden en hunne onafhanke-
lijkheid van elk bijzonder belang wekken. Zelfs de laster moet niet kun-
nen zeggen, dat hunne beslissing niet het uitvloeisel is van hunne
overtuiging, maar van bezorgdheid voor de bijzondere belangen van
de rijksten in den lande, voor welke zij speciaal geroepen zijn te waken.
"De onlangs in Belgie gemaakte ervaring, dat de weifeling en on-
verschilligheid van eene kleine kiezersgroep de meerderheid in de wet-
i' gevende macht verplaatst en het bestaan van eene der gewichtigste
l organieke wetten in de waagschaal stelt, is wel geschikt om te doen
. uitkomen, dat de staatsinrichting de wetgeving tegen dergelijke oogen-
. blikkelijke en toevallige uitkomsten van een enkelen kiesdag behoort
j te beschermen.
3
Am. 9.
In de uitsluiting van geestelijken en bedienaren van den godsdienst,
ziet de ondergeteekende eene onnoodige en niet doeltreffende beper-
» j king van de volkskeus.
, De invloed van godsdienstige verschillen op de staatszaken laat zich
jj door deze bepaling niet keeren.
' De zeer vrijgevige uitlegging dezer bepaling heeft hare werking ook
reeds zoozeer verzwakt, dat hetgeen daarvan in de praktijk overblijft
j het behoud der bepaling zeker niet noodig maakt.
·j De wijziging van het laatste lid van artikel 91 schijnt den onder-
C; geteekende noodig, om aan de bepaling van artikel 89 omtrent de
Vereenigbaarheid van het lidmaatschap der Staten-Generaal met het
e ambt van minister in de praktijk geene zwarigheden in den weg te
leggen, en de aanneming van het ministerambt door ledenvan de
Staten-Generaal te bevorderen. Vooral is dit noodig, indien in het
verkiezingsstelsel eene wijziging ten gunste der minderheden en der