HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 52

JPEG (Deze pagina), 1.05 MB

TIFF (Deze pagina), 8.01 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

F
... 52 ...
vorm en inrichting is intusschen wenschelijk en daarom de opneming van
dit voorschrift gerechtvaardigd. _
Artikel 3. Voor zoover in de gemeente naast de bevolkingsregisters, door
het gemeentebestuur aangelegd en bijgehouden, nog andere bevolkingsregisters
bestaan - gelijk die thans zijn voorgeschreven bij Koninklijk besluit van
27 Juli 1887 (Staatsblad n°. 142) - heeft het gemeentebestuur voor de
vaststelling van de kiezerslijst aan zijn eigen bevolkingsregister niet genoeg j
en moeten de noodige gegevens ook worden verkregen uit mededeelingen aan
die andere registers ontleend. Daartoe strekt de eerste alinea van dit artikel.
' Door de bepaling van de tweede alinea verkrijgen de gemeentebesturen
de noodige kennis omtrent de aanwezigheid van eene der redenen, die van
het kiesrecht uitsluiten. Zij ontvangen toch langs dezen Weg de opgaven
der personen, die, tengevolge van het bepaalde in artikel 32 der wet tot
regeling van het Staatstoezicht op krankzinnigen, van 27 April 1884
(Staatsblad n°. 96), het beheer over hunne goederen hebben verloren en
dus van het kiesrecht zijn uitgesloten. Deze personen komen niet voor in
` de opgaven, krachtens artikel 5 door den Minister van Justitie te doen,
en kunnen ook door dien Minister niet worden medegedeeld, daar van de 4
rechterlijke machtiging tot plaatsing in een gesticht geen gebruik behoeft
te worden gemaakt, terwijl van het voortduren van dat verblijf, Waar- l
mede, zoo geen curatele is uitgesproken, het verlies van beheer samenhangt,
in de meeste gevallen geen rechterlijke autoriteit kennis draagt.
Artikel 4. De wetenschap, wie gedurende het laatst verloopen jaar geen
onderstand van eene instelling van weldadigheid of van een gemeente-
bestuur hebben genoten, en derhalve ondersteld worden in eigen onderhoud
en dat van het huisgezin te voorzien, kan alleen worden verkregen door
opgaven van de besturen dier instellingen en der gemeenten omtrent de ,
personen, aan wie zij onderstand verstrekten. i
Daar de werkkring van een instelling van weldadigheid zich niet altijd
beperkt tot de gemeente, waarin zij gevestigd is, worden de besturen dier
instellingen verplicht, de genoemde opgaven te doen aan de besturen van
alle gemeenten binnen welke zij onderstand hebben verstrekt.
Uit de derde alinea vloeit voor de gemeentebesturen de verplichting voort, om
van den door hen rechtstreeks verstrekten onderstand aanteekening te houden.
De vierde alinea voorziet in het geval dat een armlastige verhuist naar
een andere gemeente dan die, binnen welke de onderstand is verstrekt.
Het bestuur der gemeente, waarheen hij is verhuisd, moet hiervan worden
onderricht. Is dat weder niet de gemeente, waar hij op 15 Januari is ge-
vestigd, dan is doorzending der opgave naar dat gemeentebestuur noodig.
Bij de vaststelling van den in artikel 10 bedoelden algemeenen maat-
regel van bestuur zal voorts te letten zijn op het geval, dat van de ver-
huizing niet uit het bevolkingsregister der gemeente blijkt, maar uit dat ·
van de instelling van weldadigheid; wanneer namelijk de ondersteunde in I
een gesticht van zoodanige instelling werd verpleegd.
Om de noodige opgaven volledig te kunnen verstrekken, moeten de be- j
sturen, van wie zij worden gevorderd, nauwkeurig weten, wat te verstaan
l