HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 49

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 7.92 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

g - 49 -
cl. en e. De ingezetenen op wie door een veroordeelend strafvonnis eene
smet is geworpen welke hen eene plaats onder de kiezers onwaardig maakt,
zijn voor de uitoefening van het kiesrecht ongeschikt. Zulks is geschied
ten aanzien van hen, die onherroepelijk wegens misdrijf tot eene vrijheids­
straf van vier jaar of langer zijn veroordeeld. Die veroordeeling toch is
door den wetgever, ook ten aanzien der burgerlijke rechtsverhoudingen
(wet van 26 April 1884, Slamfsölacl n°. 93), gelijk gesteld met de vroeger
,,onteerend" genoemde straffen.
V En dat ook zij, die onwaardig werden verklaard om bij de gewapende
macht te dienen, het actieve burgerrecht niet behooren te erlangen, zal
elkeen toestemmen. De redactie der daartoe betrekkelijke zinsnede is in
overeenstemming met het ontwerp­militair­wetboek van strafrecht.
De smet door de in al en e bedoelde vonnissen op den persoon geworpen,
is blijvend. Gratie doet wel de verdere toepassing der straf ophouden, maar
kan het feit der veroordeeling niet opheffen. Zij kan de kiesbevoegdheid
1 niet doen terug verkrijgen.
Ten aanzien der drie laatstgenoemde uitsluitingen e, el en e zij nog op-
gemerkt, dat deze niet in de 3de alinea van artikel 80 der Grondwet
worden verplichtend gesteld. Nu heeft de toenmalige Minister van Binnen-
landsche Zake11 in de vergadering der Tweede Kamer van 15 Maart 1887,
verklaard, dat de Grondwet in de opsomming van de uitsluitingen exclusief
. moest wezen en dat ,,de wetgever er geen uitsluitingen aan kan toevoegen."
jV (Hanelelingen der Stalen-Generaal 1886-1887, Tweede Kamer. blz. 1164).
Dat aan deze uitspraak slechts eene betrekkelijke waarde mag worden toe-
gekend, springt echter in het oog. In het Grondwetsartikel wordt gezegd
° wie de Grondwet zelve van het kiesrecht uitsluit, maar daarin staat geenerlei
verbod te lezen voor den wetgever, om ook andere ongeschikten van het
kiesrecht uit te sluiten. Dat het door de Grondwet, zonder dat zulks uit-
r· drukkelijk is voorgeschreven, verboden zoude zijn om réfractairen en on-
waardigen te weren, zal toch ook wel niet in ernst kunnen worden vol-
gehouden. V
j Arlikel 6. cz. Voor hem die kiesbevoegdheid erlangen kan, is ter uitoefening
E daarvan noodig, dat hij in het genot zij van persoonlijke vrijheid. Gevan-
i genen en krankzinnigen kunnen dat recht niet uitoefenen. De Grondwet
heeft dit ook reeds ten aanzien der eersten voorgeschreven.
`3 l. Het is wenschelijk dat de uitoefening van het kiesrecht, de bevoegd-
VV heid om dit te verkrijgen daargelaten, uitdrukkelijk worde afhankelijk
gemaakt van plaatsing op de van kracht zijnde kiezerlijsten. Menige vraag
, van onzekerheid wordt daardoor afgesneden.
Artikel 7. De Regeering meent, op daarvoor bij de behandeling van
het Grondwetsartikel aangevoerde gronden, dat van de in de 2de alinea
van artikel 80 aan den wetgever geschonken bevoegdheid moet worden
‘, gebruik gemaakt, om voor militairen beneden den rang van ofïicier de
uitoefening van het kiesrecht te schorsen voor den tijd, gedurende welken
", zij zich in werkelijken dienst onder de wapenen bevinden.
i 4e
D
l r
P
l