HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 48

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 7.92 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

_ 48 _
lijn is te stellen met dien, door den echtgenoot of vader genoten, eischt `
geen betoog.
zlrzfiiccl 5. a. Deze uitsluitingen worden door de Grondwet voorgeschreven.
' Zij eindigen met het wegvallen harer oorzaak.
6. In artikel 80 der Grondwet wordt bepaald, dat van het kiesrecht zijn
uitgesloten zij, die, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den
aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een
of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegd­ '
heid stelt, hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan.
De strekking van deze uitsluiting was van meer algemeenen aard, dan de
redactie van het artikel wellicht kon doen voorkomen. Eene beperking tot
het geval dat als grondslag der kiesbevoegdheid, door den wetgever een
- belastingcensus werd aangenomen, werd met die redactie niet bedoeld. De
Regeering wilde daarmede uitdrukking geven aan ,,haar denkbeeld, dat het j
,,werkelijk dragen der opgelegde belastingen een strikte plicht is van den
,,Staatsburger", een denkbeeld dat, ,,zoo het schijnt, algemeene instemming"
in de Tweede Kamer had verworven (HamZeZin_qen van de Smten-Generaal
1886-1887, Bijlagen blz. 156). Toen de onzekerheid der gekozene bewoor-
dingen ook in de Eerste Kamer de vraag deed stellen, ,,of met armslag
,,alleen het bedrag bedoeld werd, dat voor kiesrecht wordt gevorderd" werd
in de Memorie van Antwoord nog eens op duidelijke wijze de bedoeling j `
van het voorschrift aangewezen. ,,De strekking der bepaling is, dat hij die
,,prijs stelt op het actieve burgerrecht, ook zijn daarmede verwanten plicht
,,om in de kosten te dragen, moet vervullen. Deze strekking komt zedelijk _
,,en billijk voor". (Hcmdelingen der Sám5en­GenemaZ 1886-1887. Eerste Kamer
blz. 360 en 374.). De Regeering vereenigt zich geheel met deze opvatting.
Wie den hem bij de wet opgelegden plicht om in de lasten van de gemeenschap W
te dragen, niet vervult, behoort van het actieve burgerrecht te worden
uitgesloten.
Uit deze opvatting vloeit echter tevens voort, dat de uitsluiting slechts
geldt tegen hen, aan wie de wet de verplichting tot betaling heeft opge- j
legd, maar ophoudt te werken in de gevallen waaromtrent de wetgever
voorsohreef dat de aanvankelijk gedane aanslag niet mag worden gehand­
haafd, en dientengevolge de belasting moest worden kwijtgescholden of
hare invordering, op grond van onvermogen, moest worden achterwege ge-
laten. Hierdoor immers vervalt het plichtverzuim, de reden der uitsluiting.
Dat deze laatste slechts geldt voor het burgerlijke jaar dat op het dienstjaar ‘
valt waarin plichtverzuim plaats vond, schijnt alleszins billijk. ;;
c. Deze uitsluiting staat op gelijken grondslag met de voorgaande. ,,Alle
,,Nederlanders, daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken tot handhaving T
,,der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondge-
bied”, zegt artikel 180 van de Grondwet. VVie zich opzettelijk aan dezen hem
opgelegden burgerplicht onttrokken heeft, behoort het actieve burgerrecht _
niet te erlangen. Dit plichtverzuim kan niet worden hersteld; het maakt r
den schuldige blijvend ongeschikt voor uitoefening van het kiesrecht. ‘i,, ‘
I
l
l
l