HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 47

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 7.91 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

_ 47 ..
mannelijke bevolking met kiezersleeftijd op dit oogenblik ongeveer 65 per-
cent. ln Frankrijk is zij ruim 87 percent; in Duitschland, voor de ver-
kiezingen van den Rijksdag, ruim 90 percent; in Zwitserland 92 percent.
, Alleen in België is de verhouding op dit oogenblik eene gansoh andere.
Het mag evenwel als vaststaande worden aangenomen, dat zij aldaar binnen
i een niet te lang tijdsverloop zal worden gewijzigd.
V Artikel 1. De bewoordingen van dit artikel behoeven geene toelichting.
ä Een hoogeren leeftijd voor kiesbevoegdheid te eischen dan de meerder-
t iarigheid, schijnt niet wel verdedigbaar. Tot dusverre werd deze steeds
i als het tijdstip van staatkundige mondigheid aangenomen en het bewijs,
dat zij bij hooger leeftijd behoort in te treden, ware moeielijk te leveren.
Artikel 2. De begrippen van Nederlander en van ingezeten zijn vast-
gesteld door de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap.
Zij, aan wie het genot van sommige burgerlijke rechten van meerder-
jarigen is toegekend, ofschoon zij de meerderjarigheid nog niet hebben .
bereikt, dienen uitdrukkelijk van de kiesbevoegdheid te worden uitgesloten.
Artikel 3. Van het bezit der kennis van lezen en schrijven, het ken-
i teeken van geschiktheid, dient op eenvoudige, voor allen gelijke wijze,
i te kunnen worden blijk gegeven. Een examen daaromtrent af te doen nemen
is weinig aanbevelenswaardig. Veeleer levere de daad van hem, die voor
; zich het kiesrecht verlangt en daardoor tevens zijne belangstelling toont
i in den gang der openbare zaak, het afdoend bewijs.
, Dit is te verkrijgen door eene eigenhandig geschrevene aanvraag, om
tot de uitoefening der kiesbevoegdheid te worden toegelaten. Deze aanvraag
V zal op zoodanige wijze zijn in te richten, dat het in schrift brengen daar-
van eene voldoende kennis van lezen en schrijven vordert. Invulling van
, enkele woorden in een gedrukt formulier, ware daartoe niet voldoende.
De wijze van inlevering der aanvraag zal de zelfstandige wilsuiting van
den aanvrager moeten waarborgen.
Artikel 4. Van ieder ingezetene, omtrent wien het tegendeel niet is
bewezen, behoort te worden aangenomen dat hij door eigen arbeid of
middelen in zijn onderhoud en, bezit hij een huisgezin, ook in het onder-
, houd van zijn huisgezin voorziet. Het bewijs van het tegendeel moet door
i een tastbaar, voor allen duidelijk en gelijkelijk waarneembaar feit worden
Z geleverd. Onderzoekingen omtrent individueele verrnogensverhoudingen zijn
daarbij vanzelf uitgesloten. Het gevorderde bewijs mag niet worden gezocht
binnen de oinsluiting van het bijzondere leven; het moet door openbare
feiten vaststaan.
j Daarom kan het bezit van het gestelde kenteeken van maatschappelijken
welstand alleen aan hen worden ontzegd, die voor hun levensonderhoud
i en dat van hun huisgezin moeten steunen op den onderstand, verleend
[ uit openbare kassen of door instellingen van weldadigheid, die als zoodanig
j bekend staan bij en werken onder toezicht van het openbaar gezag.
i Dat de onderstand, aan vrouw of kinderen verstrekt, in dezen op gelijke
1