HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 46

JPEG (Deze pagina), 1.07 MB

TIFF (Deze pagina), 7.91 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

_. 46 ._
110869 zoodanige personen opgegeven, als in 1890 onderstand hebbende
V genoten. Maar ook dit getal zal blijken beneden de werkelükheid te zijn.
Verschillende besturen toch van bijzondere en kerkelijke instellingen bleven
achterwege in het doen der gevraagde opgave.
l Onder de bedeelden zullen ongetwijfeld een gedeelte der analphabeten L
worden aangetroffen. Hoevelen is moeilijk na te gaan. Maar zonder over- l
drijving mag men aannemen, dat het aantal der meerderjarige mannelüke ,
ingezetenen, tevens Nederlanders, die niet zullen blijken de gestelde ken-
merken van geschiktheid en maatschappelijken welstand te bezitten, niet j
verre beneden de 200.000 personen zal bedragen en dat indien hun aantal i
wordt afgetrokken van de geheele meerderjarige bevolking, die het Neder- l
landerschap bezit, een getal zal overblijven van beneden de 900.000 in- E
gezetenen, bij wie de gestelde kenteekenen worden aangetroffen en die
alzoo het kiesrecht voor zich kunnen vragen, wanneer zij niet om persoon-
lijke redenen zijn uitgesloten.
Hoe groot het aantal dezer laatsten zalwezen, kan evenmin met vol-
komen zekerheid worden gezegd. Een onderzoek omtrent de nalatigheid V
in het betalen der verschuldigde Rijksbelasting, heeft de volgende uit- ‘
komsten opgeleverd. Op 31 December 1890 waren 5782 aanslagen in de «
grondbelasting over het toen afgeloopen dienstjaar niet aangezuiverd. In l
de personeele belasting waren over het toen afgeloopen dienstjaar 1889/1890 J
62026 posten niet aangezuiverd, waarvan 56.538 als oninbaar waren ge- W
leden en 5488 nog open stonden. In het patentrecht was het getal der ;
niet aangezuiverde posten 9425, daarvan waren oninbaar verklaard 7882, L
zoodat nog 1543 open stonden. Dit zoude alzoo geven een totaal van 12.813
alsnog openstaande posten in de Rijks directe belastingen over het afgeloopen A
dienstjaar. Het spreekt van zelf, dat dit cijfer slechts als eene aanwijzing
kan gelden. ­ · E
Meer stellig zijn de volgende cijfers, door het Departement van Justitie V
verstrekt. Daaruit blijkt, dat op 31 December 1891 zich hier te lande Z
bevonden 6580 meerderjarige mannelijke ingezetenen, die sedert 1870 door '
rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen
hadden verloren; ongeveer 200 meerderjarige mannelüke ingezetenen, die
na 1 September 1886 veroordeeld waren tot vier jaren gevangenisstraf of
daarboven, en 32 meerderjarige, mannelijke ingezetenen, aan wie na 1880 i
bij rechterlijke uitspraak het kiesrecht was ontzegd.
In de krankzinnigengestichten bevonden zich op 31 December 1890 een Ai
aantal van 2709 mannelijke personen van twintig jaren en daarboven.
Uit de medegedeelde cijfers mag worden afgeleid, dat de kiezerslijsten,
met inachtneming der voorgedragene wetsbepalingen opgemaakt, een aantal
van ruim 800.000 kiesbevoegden voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal l
en voor de Provinciale Staten kunnen aanwijzen. Alzoo ongeveer 74 per- °
cent der meerderjarige, mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders. Eene L
evenredigheid tusschen het aantal kiesbevoegden en het bevolkingscijfer, j
niet te ongelijk aan de verhouding welke in de ons omringende Staten
wordt aangetroffen, waar de algemeene beschaving en ontwikkeling geacht ”
kunnen worden met die van het Nederlandsche volk op eene zelfde lijn te ’
staan. In Engeland toch is de verhouding der kiesbevoegden tot de nationale l
a