HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 45

JPEG (Deze pagina), 1.09 MB

TIFF (Deze pagina), 7.89 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

i ­- 45 -
l bestuur. Boven deze allen kan, zonder aan iemand onrecht te doen, de
' grenslijn worden getrokken, welke de toekenning der kiesbevoegdheid afsluit.
j Daarentegen kan aan hen, die de kunst verstaan van lezen en schrijven
' en die, het zij dan op meer of minder ruime wijze, doch zonder onderstand
van eene instelling van weldadigheid of van een openbaar bestuur, voorzien
in eigen onderhoud en dat van het gezin, de noodige geschiktheid en
maatschappelijke Welstand om tot de verkiezing van leden der Vertegen-
woordiging mede te werken, wanneer zij dit recht voor zich vragen, niet
op afdoenden, voor allen gelijkelijk geldenden grond worden betwist. De
redenen welke, de Grondwettige uitsluitingen daargelaten, het recht kunnen
l geven om hem, die deze kenmerken van geschiktheid en maatschappelijken
welstand bezit, desniettemin de kiesbevoegdheid te onthouden, moeten zijn
van persoonlijken aard, in vele gevallen tijdelijk werkende uitzonderingen
op den algemeenen regel, maar dezen als zoodanig niet ter zijde stellende.
Deze redenen leveren het bewijs der ongeschiktheid van eenen bepaalden,
overigens bevoegden, persoon wien zij worden aangetroifen. Zoo moet
aan hem, die zijne verplichtingen jegens de gemeenschap niet vervult of
,9 de maatschappelijke orde aanrandt; die het der moeite niet waardig acht
om voor zich het kiesrecht te vragen, die bevoegdheid blijvend of tijdelijk
worden onthouden. Deze persoonlijke uitsluiting is de waarborg, dat, waar
het algemeene kenteeken alle geschikten wenscht te omvatten, ongeschikten
tevens worden geweerd.
{ 5. De geheele bevolking des Rijks bedroeg, op 1 Januari 1890, 4 511 415
zielen. Daaronder waren, op hetzelfde tijdstip, begrepen 1 083 528 meerder-
jarige mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders.
Bij eene in den aanvang van het jaar 1892 gedane opneming is gebleken
dat van de 43.795 destijds ingeschrevenen voor de nationale militie, die
alzoo op 1 Januari 1892 het 19de jaar waren ingetreden, er 2387 de kunst
van lezen en schrijven niet verstonden. Om hieruit bij benadering te be-
rekenen het geheele getal der mannelijke ingezetenen hier te lande, die
{ de kunst van lezen en schrijven niet verstaan, schijnt de verhouding der
negentienjarigen tot de geheele mannelijke bevolking te mogen worden aan-
genomen. Immers een andere maatstaf ontbreekt. VVel mag men aannemen
• dat, bij zoodanige berekening, de uitkomst te gunstig zal wezen, daar
onder de ouderen van dagen het betrekkelijke aantal der analphabeten
grooter is dan onder het jongere geslacht, dat in meerdere mate dan vroeger
het lager onderwijs heeft genoten. Hiertegenover staat, dat waarschijnlijk
in elk volgend jaar de verhouding zal verbeteren. Het aantal der negen-
tienjarige analphabeten schijnt daarom voor de geheele mannelijke bevolking
als middencijfer te mogen worden aangenomen. Volgens deze berekening
zouden de meerderjarige mannelijke analphabeten hier te lande 59.288 in
getal zijn. Op dit oogenblik is hun aantal stellig heel wat grooter.
Ook het aantal der bedeelden, der meerderjarige mannelijke ingezetenen,
die van eene bijzondere of kerkelijke instelling van weldadigheid of van
een gemeentebestuur onderstand genieten, is slechts bij benadering op te
‘ maken. Bij eene in de laatste maanden van het afgeloopen jaar gedane
3% opneming, werden door verschillende armbesturen en gemeentebesturen
‘ l