HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 44

JPEG (Deze pagina), 1.07 MB

TIFF (Deze pagina), 7.89 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

- 44 -­ i
' De woning werd daarom als grondslag voor toekenning van kiesbevoegd­ l
_ heid aangenomen. Niemand zal meenen dat de daarmede sedert 1888 ge-
l nomen proef gelukkig is geslaagd; dat deze werkelijk de geschikten tot de i
l stembus riep, de ongeschikten daarvan heeft verwijderd. De onoverkomelijke I
fout van dezen maatstaf ligt in zijn nimmer weg te nemen willekeur. Het
hebben eener woning op zich zelf is niet voldoende; zeer weinigen slechts
missen haar. De woning zal derhalve eene bepaalde waarde moeten ver-
tegenwoordigen. Hoe deze te schatten? Greschiedt het opzettelijk tot toe-
« kenning of onthouding der kiesbevoegdheid, dan komt de beslissing hier-
omtrent, hetzij in eersten aanleg of in hooger beroep, aan den schatter.
_ Wordt de schatting aan de toepassing der belastingwet verbonden, gelijk i
ï dit thans hier te lande plaats vindt, dan gelden niet slechts alle bezwaren
i van den belastingcensus, maar de kiesbevoegdheid wordt bovendien naar
de tijdelijke, sterk wisselende draagkracht van verschillende gemeenten
voor de Rijksbelastinghefïing, toebedeeld. Boven dit alles staat nog de
I onmogelijkheid om in het cijfer der koop- of huurwaarde van eene woning
de geschiktheid van den bewoner tot de uitoefening van het kiesrecht uit V
i te drukken. Het bezit eener woning, welker waarde het gestelde minimum »
bereikt, kan menigen ongeschikte het kiesrecht geven. Veel grooter zal
het aantal wezen der ontwikkelde medeburgers, die, noch geheel noch ten
l deele beschikkende over eene zoodanige woning, zonder redelijken grond ‘
het kiesrecht moeten missen.
a De pogingen om aan dit onrecht door het stelsel der capaciteiten, dat ;
l de kiesbevoegdheid aan bepaalde maatschappelijke betrekkingen of aan ge- i
‘ bleken bekwaamheid verbindt, te gemoet te komen hebben steeds gefaald.
Zij moesten zulks doen. Het stellige bewijs der geschiktheid zoekende in
de maatschappelijke betrekking of in de afgelegde proeven van bekwaamheid,
is men wel genoodzaakt, een beperkten kring te trekken. Want immers,
dit bewijs moet geleverd worden; anders was de capaciteit geen grondslag
voor toekenning der kiesbevoegdheid meer.
Het zoogenaamde huismanskiesrecht wil de geschiktheid vinden in den `
» staat van huisvader, hetzij dan met of zonder huisgezin. In welke mate
deze staat de geestesontwikkeling, zelfstandigheid en belangstelling van den
ingezetene waarborgt, of liever in hoeverre zijn gemis het bewijs kan
leveren dat een ingezetene deze eigenschappen derft, is moeilijk aan te *
j geven. En ditzelfde geldt van menig ander feit, dat als kenmerk van ge-
schiktheid en maatschappelijken welstand werd voorgedragen, als: bezit van
zekere hoeveelheid geld of goed, van zekeren uiterlijken staat, of wat al
meer. Niets van dit alles kan eenig recht vestigen tot uitsluiting van hen,
F die, om welke reden ook, zoodanig kenteeken niet bezitten.
4. De noodige geschiktheid om het kiesrecht te erlangen wordt stellig
w gemist door hen, die de kundigheden, in onze samenleving voor allen noodig
en in de eerste plaats aan allen onderwezen, het lezen en schrijven, voor
i zich 11iet hebben verworven en die daardoor niet in staat zijn om in be-
hoorlijken vorm eene te verrichten keuze uit te brengen. De noodige maat-
i schappelijke welstand evenzeer door hen, die onderstand genieten van eene _`
L openbare of bijzondere instelling van weldadigheid of van een gemeente-
‘ «
M
X