HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 43

JPEG (Deze pagina), 1.06 MB

TIFF (Deze pagina), 7.87 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB


.;j> - 43 -
Slaafsche gedweeheid of fierheid kenmerkt menigen minder ontwikkelden
L man evenzeer als zijnen meer ontwikkelden medeburger. Dat belangstelling
I in de openbare zaak evenmin aan eenigen levenskring is gebonden of kan
worden ontzegd, leert dagelijks de ervaring. Een aan de toekenning van V
kiesbevoegdheid voorafgaand onderzoek naar de positieve kennis of persoon-
lijke geaardheid van elken Nederlander, ingezeten en meer dan drie en
twintig jaren oud, is niet wel mogelijk. De geschiktheid is een betrekkelijk
begrip; toch eischt de Grondwet het bezit van haar kenteeken. Blijft er,
wil men tegenover allen rechtvaardig zijn, iets anders over, dan de ge- _
schiktheid, in artikel 80 der Grondwet gevorderd, bij allen aan te nemen,
die de volstrekte eischen voor kiesbevoegdheid bezitten en van wie de
ongeschiktheid niet door vaststaande, wèl omschreven feiten kan worden
aangewezen?
Eene stellige omschrijving van nmaatschappelijken welstand" is evenmin
te geven. In den gedachtengang des Grondwetgevers moest hij de geldelijke
onafhankelijkheid uitdrukken, welke den kiezer in staat stelt om naar
eigen inzicht zijne stem uit te brengen, zonder vrees voor stoffelijk nadeel.
En tevens moest hä tot waarborg strekken, dat de kiezer belang heeft bij
het behoud der -maatschappelijke orde. WVordt echter dit belang eerst ge-
kend en gevoeld door het bezit eener bepaalde mate van stoffelijke welvaart?
Wie zoude dit meenen? Zoo daartoe tevredenheid met bestaande toestanden
werd noodig geacht, houdt deze geestesstemming dan met eene aan te wijzen
hoegrootheid van bezit en inkomen verband? Voorzeker niet; ook hier is
‘alles betrekkelijk. Zal iemand het wagen om aan te wijzen wie de talrijke
ingezetenen zijn die, hoe verschillend hunne vertering wezen moge, toch
ieder in hunnen kring door de zorgen des levens gedrukt en tot bevredi-
ging der dagelijks terugkeerende behoeften van anderen afhankelijk zijn?
En nog veel minder stellig is de mate aan te geven, waarin vrees voor
of hoop op stoffelijke gevolgen haren invloed bij hen zullen doen gelden.
Persoonlijk karakter en inborst zullen ook hier beslissen en, wijl daarom-
trent geen algemeene omschrijving mogelijk is, kan het bezit van den
wmaatschappelijken welstand" van artikel 80 der Grondwet slechts aan die
ingezetenen met grond worden betwist, wier materieele afhankelijkheid door
ap een vaststaand kenteeken wordt bewezen.
3. De juistheid der hierboven ontwikkelde denkbeelden blijkt ten over-
vloede uit de pogingen, sedert jaren aangewend, om voor de geschiktheid
en den maatschappelijken welstand tot uitoefening van het kiesrecht eenen
stelligen maatstaf aan te geven.
Men zocht dien in het betalen van belasting. Deze maatstaf is terecht
veroordeeld. kon slechts onvolledig worden toegepast, want slechts
sommige, krachtens kohieren ingevorderde, belastingen kunnen daarvoor
in aanmerking komen. Voor geschiktheid evenmin als voor gegoedheid geeft
hij eenigen stelligen waarborg en veel minder nog bewüst hij de ongeschikt-
heid van hen, wier namen niet voorkomen op het kohier. En bovendien
legt hij tusschen de kiesbevoegdheid en de belastinghefiïng eenen band,
G waarvan hier te lande de verderfelijke gevolgen in meer dan voldoende
mate sedert tal van jaren werden ondervonden.