HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 42

JPEG (Deze pagina), 1.05 MB

TIFF (Deze pagina), 7.87 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

1 rI `
i
- 42 - {nv,

voegdheid te regelen voor de Tweede Kamer van de Staten­generaal.
i Zijne voorschriften zullen onder alle ingezetenen des lands het vertrouwen i
in de Volksvertegenwoordiging moeten kweeken en versterken. Daaraan toch =
alleen kan deze de kracht ontleenen, onmisbaar om den wetgevenden arbeid 4
naar eisch tc verrichten; om eenen vruchtbaren steun te schenken aan het
uitvoerend gezag en om tevens, waar noodig, eerbiediging te verzekeren
van de rechten des volks.
Het doel is alzoo aangewezen waarhenen de arbeid moet worden gericht.
Uitvoering van het Grondwetsartikel is de weg, om het te bereiken.
2. ,,De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de
l ,,mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te
,,bepalen kenmerken van geschiktheid en maatschappelijken welstand be-
,,zitten en den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden de drie
,,en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt." Aldus artikel 80 van de
i Grondwet. De kring binnen welken de kiesbevoegden zijn aan te wijzen, de
j volstrekte eischen voor kiesbevoegdheid worden hier duidelijk omschreven.
? ,,De gebezigde woorden," zeide de Regeering bij de toelichting der tegen-
j woordige redactie van het Grondwetsartikel, ,,geven bepaalde ondubbel-
j ,,zinnige begrippen te kennen. Voor zooveel de eigenschappen der kiezerS
, ,,betreft, weet ieder wat mamzeliïk, wat ingezeten, wat Nezterlancler, wat
‘ ,,Zeeft«yd van tem minste drie en twintig jm·m beteekent". (Hamlelingen mm
T de Statm­GenemaZ, zitting 1886/87, Bijlagen blz. 155). Zoo al niet een
ieder dit alles weten mag, door de wet kan het begrip van ,,Nederlander”
en van ,,ingezeten" onbetwistbaar worden bepaald.
Binnen den aldus omschreven kring wordt voor de toekenning der kies­
bevoegdheid het bezit gevorderd van ,,kenteekenen van geschiktheid en
umaatschappelijken welstand." De Regeering liet hieromtrent op de zoo
even aangehaalde woorden volgen: ,,Duidelijk zijn ook de woorden geschikt-
,,beicZ en maatschappelijke weZstand,· alleen is er dit onderscheid tusschen
,,deze beide gegevens en de voorgaanden, dat geschiktheid en maatschap-
,,pelijke welstand geene volstrekte, maar betrekkelijke begrippen zijn."
(Hamleliiigen der Statm­GeiiemaZ t. a. p.). Tegen dit laatste valt weinig aan
te voeren.
Met ,,geschiktheid", hoezeer in de Grondwet niet verder omschreven, ik
. worden hier ongetwijfeld de hoedanigheden bedoeld, tot het verrichten
eener keuze van een volksvertegenwoordiger noodzakelijk. Eene voldoende
geestesontwikkeling, zelfstandigheid van karakter en belangstelling in de
, openbare zaak, zijn daaronder wel de voornaamste eigenschappen. In welke
mate worden zij in eenen kiezer gevorderd? Bij wien en wanneer worden
I zij in zoodanige mate aangetroffen? Hoe zal van hare aanwezigheid blij-
I ken? Op geene dezer vragen is in volstrekten zin een bevredigend ant-
I woord te geven, dat den wetgever tot uitgangspunt kan strekken. Geestes-
, ontwikkeling en zelfstandigheid van karakter zijn persoonlijke eigenschap-
pen, die in elken levenskring, onder alle standen en rangen, bij sommigen
worden aangetroffen, bij anderen worden gemist. De meest zorgvuldige op-
voeding is geen waarborg tegen gemis van doorzicht. De scherpzinnigheid __
van menigen eenvoudigen daglooner zal elkeen meermalen hebben getrotten. U
`E