HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 41

JPEG (Deze pagina), 958.14 KB

TIFF (Deze pagina), 7.88 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

I
I
­ j MEMORIE VAN TOELICHTING.
n, E--
. 1. De wetsvoordracht tot regeling van het kiesrecht in een drietal wets-
i ontwerpen, nauw samenhangende, maar elk een op zich zelf staand geheel
· Vormende, den Staten­Generaal hiernevens aangeboden, omvat de staatkun-
dige verkiezingen.
Op het voetspoor der kieswet van 1850 wordt de regeling der kiesbe-
voegdheid voor de gemeenteraden overgelaten aan de gemeentewet, waartoe
lf de Grondwet thans nog meerdere vrijheid geeft dan vroeger. En waar het ‘
i' alleszins overweging schijnt te verdienen, om de verkiezing der plaatselijke
I vertegenwoordiging op andere en meer eenvoudige wijze in te richten dan die
i van de Generale- en Provinciale Staten, wordt hare regeling van zelve evenzeer
verwezen naar de gemeentewet, opdat zij verband kunne houden met de eer-
lang op nieuw te overwegen en te omschrijven taak der plaatselijke besturen.
2. De regeling van het kiesrecht splitst zich in drie hoofddeelen. Vooreerst
moet worden aangewezen wie kiesbevoegden zijn. Vervolgens, op welke
wijze de kiesbevoegde ingezetenen tot de uitoefening van het kiesrecht ·
worden geroepen. En eindelijk zullen omtrent de benoeming en aftreding
der leden van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten­Generaal
voorschriften zijn te geven.
Elk dezer hoofddeelen wordt afzonderlijk in een der nevensgaande wets-
ontwerpen geregeld. Te zamen vervangen deze de wet van 4 Juli 1850
i (Smaisblad n°. 37), zooals die gewijzigd is bij art. VII der Additioneele
j Artikelen van de Grondwet en bij de wet van 30 December 1887 (Staatsblad
no. 257), voor zooveel de staatkundige verkiezingen aangaat, in haar ge-
heel. Het gewicht der zaak zoowel als de uiteenloopende aard der voor de
aangeduide hoofdpunten tot stand te brengen regeling, schijnen omtrent
elk daarvan eene zelfstandige beslissing van den wetgever te vragen.

· I ‘ 3. Wenscht deze voordracht zooveel mogelijk aan de eischen te voldoen,
welke gewijzigde toestanden voor de toekenning en uitoefening van het O
kiesrecht doen gelden, bij de samenstelling der nevensgaande wetsontwerpen `
is zoo weinig doenlijk afgeweken van de volgorde en de bewoordingen der
r thans omtrent het kiesrecht geldende bepalingen. Op deze wijze kan, ook
in het vervolg, de ondervinding der laatste veertig jaren bij de uitoefening
‘ van het kiesrecht het best en blijvend worden benuttigd. ,
Wetsontwerp tot regeling der kiesbevoegdheid.
1. De wetgever wordt geroepen om overeenkomstig artikel 80 van de
Grondwet, waaraan door het Vllde der Additioneele Artikelen van 1887
’ slechts eene tijdelijke en onvolledige toepassing werd gegeven, de kiesbe-
i