HomeDe wetsontwerpen tot regeling van het kiesrecht, zoals zij bij Kon. Boodschap van 20 September 1892 bij de Staten-Generaal zijn Pagina 28

JPEG (Deze pagina), 826.20 KB

TIFF (Deze pagina), 7.83 MB

PDF (Volledig document), 67.81 MB

T ï
- 28 - .
bewijs, kennis aan den burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van
het kiesdistrict, dat hij de benoeming aanneemt. ·
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de
benoeming niet aan te nemen.
ART. 39.
Die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, verklaart aan de burge-
meesters der gemeenten, die hoofdplaatsen zijn van die kiesdistricten, bin- ` .
nen den in het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.
Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geene
der op hem uitgebrachte benoemingen aan te nemen.
ART. 40.
De burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van het betrokken
kiesdistrict, geeft onmiddellijk kennis aan den Minister van Binnenlandsche
Zaken wanneer een benoemde zijne benoeming heeft aangenomen.
Gelijke kennisgeving geschiedt wanneer een benoemde zijne benoeming
niet heeft aangenomen, of de in de artikelen 38 en 39 bepaalde tijd ver-
streken is. De Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt den dag, waarop
binnen veertien dagen eene nieuwe verkiezing zal geschieden.
ART. 41.
Hetzelfde vindt plaats, zoo iemand de benoeming in één district heeft T
aangenomen en in een ander voorkomt op de lijst der candidaten over wie
eene stemming of herstemming moet geschieden, in het laatstgenoemd dis-
trict. Te dien einde geven de burgemeesters der gemeenten, die hoofdplaatsen
zijn van kiesdistricten, onmiddellijk aan den Minister van Binnenlandsche
Zaken kennis van de lijst van candidaten over wie eene stemming of her-
stemming moet geschieden.
ART. 42.
Wanneer het proces­verbaal van den burgemeester niemand als gekozen
aanwijst, geeft deze daarvan kennis aan den Minister van Binnenlandsche
Zaken, die den dag bepaalt waarop binnen veertien dagen eene nieuwe
verkiezing zal geschieden.
Ama 43.
De tot lid der Tweede Kamer benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, .
aan de Kamer over een uittreksel uit de geboorteregisters, bij gemis daar- •
van, eene akte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte
blijken, en eene door hem zelven af te geven verklaring, vermeldende alle
openbare betrekkingen die hij bekleedt.
AM. 44.
De artikelen 25, 26 en 27 zijn op de leden der Tweede Kamer van toe-
passing. _ ,
L