HomeEen vraag van den dagPagina 17

JPEG (Deze pagina), 775.43 KB

TIFF (Deze pagina), 5.73 MB

PDF (Volledig document), 37.87 MB

12
te betalen, waarom ik hem f 100.- gaf, zoodat hij alzoo
van mij heeft gekregen f 330.-. Hij vertelde mij toen dat
de Sjarat de zaak beeindigd heeft. `
Na den verkoop van de loods toen ik mijn aandeel ruim
f 1700.- ontving, vroeg Hadjie Achmad wederom f100.-. 3
lk gaf hem die som zoodat hij in ’t geheel van mij ontvangen
heeft f 430.-. Daarop vroeg ik het afschrift. van het vonnis ·
van den Sjarat en diende het bij den landraad inter bekrach­ l
tiging. Toen bleek het 1nij dat mw: geznczchtigde niets uiZfge­
voerd beeft. Ik was hierover ten zeerste verwonderd, daar l,
Hadjie Aehmad van mij al zooveel genoten heeft aan kosten,
en ik hem tot zoo iets niet in staat achtte, elaarhü eezzlleuäie I
is komende van Mekka. Hij schaamde zich niet om mij zoo l
om den tuin te leiden en wijs te maken. ’t Is daarom dat ,
ik hier aan Daeng Tongie zeg, dat zij zich niet zoo dom
moet aanstellen, zooals ik mij door mijn gemachtigde om den
tuin heb laten leiden, daar wij toch samen bij den Raad van
Justitie zijn geweest om ee11 stuk te teekenen en ons aandeel
in den boedel te ontvangen. Hoe komt gij er toe om te i
zeggen dat niets van mij afweet, terwijl bovendien uw {
gemachtigde voor den Sjarat heeft bekend, dat ik een broeder
bee mm La Patola Daenna I. Pare Pare. A
Op grond daarvan verzoek ik den Sjarat om al mijn
verzoek aan te nemen. daar de Sjarat toch al vastgesteld heeft ll
dat ik een erfgenaam ben van La Patola Daenna 1. Pare Pare
bekend onder den naam van uatsba,u ·
Gelet op het tweede antwoord van Sitti Hawa Daeng 3 ‘“
Tongie gebracht door Hadjie Achmad geschreven op den 16en ­
Juli 1889 luidende: ‘
u1k de inlandsche vrouw Sitti Hawa Daeng Tongie we-
duwe van La Patola Dacnna I. Pare Pare wonende in de
kampong Wadjo deel den Sjarat mede dat ik kennis heb ge- * .
nomen VRI] den bij den Sjarat door Lasalasa ingedienden Q
brief dd. 27 Juni 1889 waarin hij verklaarde dat hij ouder ;
is dan iku, Wat mij betreft, ik kan zulks niet zeggen en . j ·
wat aangaat zijne verklaring dat het al genoegzaam gebleken j
is, dat hij een broeder is van La Patola Daenna 1. Pare1’are _.
ingevolge zijne langwijligc uitwijdingen, ik vind dat het nog I
niet bewezen is, maar dat de zaak integendeel duister is, aan-
_ gezien hij in het geheel met kan öezvyzezz, dat hij een kind
is van den vader van La Patola Daenna 1. Parc Parc. De
bewijzen daarvan die reeds vroeger van hem gevorderd wer·
den, heeft hij nog niet gegeven. Zooals ik in mijn vorig
schrijven heb medegedeeld, heb ik 7200% Lasalasa erkeml als
dee broeder van La 1’atola van den zelfden vader. ’t Is daar-