HomeElout van SoeterwoudePagina 27

JPEG (Deze pagina), 901.01 KB

TIFF (Deze pagina), 6.63 MB

PDF (Volledig document), 30.49 MB

I
l
l
& 23
i. Een amendement, door ELOUT de11 49*** Juli voorgesteld om
I te verkrügen dat noch ter wille der Joden het Ohristelük element
j uit het onderwüs verdween, noch de Joden eene voor hunne
kinderen passende school zouden missen, zonder hun evenwel
het bezoeken der openbare volksschool te beletten, luidde:
,,IIet openbaar schoolwezen voor de Israëliten, voor zoo verre ,
i
I _ _-_'__T' .
1856 deelde ELOUT mij nog enkele weinig bekende bijzonderheden mee.
GROEN vnn PRINSTERER. was in dat jaar gepolst over het zitting nemen
in het Kabinet. Hij zoude dan optreden als Minister van Buitenlandsohe
, Zaken, terwijl daarmee tijdelijk de afdeeling Onderwgs zou vereenigd
worden. Tegenover de vrees van Mevrouw GROEN, dat zij voor haar
taak als echtgenoote van een’ Minister van Buitenlandsche Zaken min-
der berekend was, poogde ELOUT haar gerust te stellen, en ook was
GROEN bereid de taak te aanvaarden, mits hem vooraf een onderhoud
_ met den Koning werd gegund. In afwachting van hiertoe te worden
geroepen, kwam 14 Juni het briefje van VAN DER BRuGcH¤·;N met ver-
zoek den volgenden dag GROEN te kunnen spreken, bij welke gelegenheid
I VAN DER BRUGG1-1EN mededeelde, dat hij zelf er over dacht in het
Ministerie te treden: GROEN zou te zeer alarmeeren. - ELOUT heeft
zich overtuigd gehouden, dat GROEN zelfs een ontwerp reeds in gereed-
heid had, waarnaar dan ook, na GRoEN’s dood, in zijne papieren zeer
ijverig, maar vruchteloos, is gezocht.
_ GROEN heeft den achtergrond der zaak hier en daar aangeroerd. Ik
verwijs naar Aan de Kiezers, XX, bl. 12; Parl. Studiën en Schetsen,
VII, bl. 2, Brieven van Wormser, dl. II, bl. 196 noot 1; Brieven
_ van da Costa, dl. III, bl. 74, waar GROEN, herinnerende aan het debat in
‘ l de Kamer van 25 November 1856 schrijft: >>toen ik op de vraag van
j v. D. BRUGGHEN: >>Weet gij niet dat gij waart onder hen die een anti-
jl revolutionair Kabinet niet raadzaam keurdenl" mij bij een antwoord
j in wedervragen, voor den vrager alleszins verstaanbaar, met zelfbedwang
bepaald heb." ­- En zoo leest men in GRoEN’s rede van dien dag: >¤Weet
gij, mijn vriend, dat een stellig aanzoek geschied is'? Dat er eene
stellige weigering op is gevolgd? Zoudt gij mij aangeraden hebben de
taak op te nemen? Zou het te misprijzen zijn, wanneer, boven en be-
halve elk ander bezwaar, men huiverig is zich zonder voorafgaand overleg
e en rijp beraad met zoodanigen arbeid te belasten 'l" (Handd., 1856/57, bl.204)
{ Met deze gegevens zal men verstaan wat ook ligt achter de passage:
g, »Ik kom tot het teederste punt van alle :" enz. in GROEN,S rede van
8 10 Juli 1857, gevolgd door v. D. BRUGGHEN’S »niet .... beantwoorden",
j enz. (Handd., 1856/57, bl. 1124**).
j Iets van deze dingen deelde ik reeds mede in mijne beoordeeling van
j Mr. HEEMs1<ER1<’s De Praktijk onzer Grondwet, later afzonderlijk uitge-
‘ geven onder den titel Gewogen, aldaar bl. 95 noot 1. - Het komt mij
i voor, dat Mr. W. H. DE BEAUFORT bij zijne schets: Groen van Prin-
I sterer en van der Bruqghen, opgenomen in zijne Geschiedkundige
I Opstellen, dl, II, niet voldoende met de historische bijzonderheden bekend
was. En eveneens Mr. VAN WEIIDIEREN RENGICRS in zijne Schels eener
parlementaire geschiedenis van Nederland, dl. I, bl. 145.
r
lr