HomeElout van SoeterwoudePagina 26

JPEG (Deze pagina), 878.95 KB

TIFF (Deze pagina), 6.63 MB

PDF (Volledig document), 30.49 MB

l
l
l
22 I
l
der Joden, of beter ter liefde der neologie of ter liefde eener ~
gewaande volkseenheid, het Christendom slechts benaming zal I
wezen". I
Met twee vragen besloot de spreker: ,,De eerste vraag, aan
den Minister van Binnenlandsche Zaken ‘), is deze: of naar
zyn oordeel door het op nieuw aanbieden van het vroegere ont-
_ werp (want anders hebben wij hier in waarheid niet), een ont- ,
werp waartegen zoo gewigtige gemoedsbezwaren waren ge-
rezen, of daardoor, ik vraag niet eene ernstige, maar de
geringste poging is in het werk gesteld om aan die gemoeds-
bezwaren te gemoet te komen, en of daardoor geregtvaardigd .
zgn de gewigtige gebeurtenissen van Juni 1856, met hetgeen
daarvan het onvermijdelüke gevolg is geweest. Aan den Minister
van Justitie: of hij, met de hand op het eerlük gemoed, den
Koning (aan Wiens edele gedachte, onafhankelijk van de wijze
waarop de door Züne Majesteit opgedragen taak is vervuld, de ‘
dankbare hulde van allen steeds zal worden gebragt), of hü,
zeg ik, met de hand op het eerlijk gemoed, den Koning kan s
aanraden, last te geven tot afkondiging dezer wet, in waarheid
ten opzigte van het godsdienstig beginsel geheel overeenstem-
mende met die, waaraan, volgens des Ministers uitdrukkelijke
verklaring, Züne Majesteit bij herhaling heeft te kennen ge-
geven zwarigheid te moeten maken Hoogstdeszelfs sanctie te ·
verleenen" 2).
*) Toen stond aan het hoofd van het Ministerie van Binnenlandsche ` I
Zaken de heer vAN RAPPARD, nadat de Minister Dr. SIMONS was afgetreden, I
wegens de verwerping zijner begroeting door het tweemaal staken der I
stemmen. Daartoe had ook ELOUT meegewerkt door afwezig te zijn. I
Over het afstemmen van eene begrooting sprak hij zich daarna uit, den
19ü<=¤ December 1856, zeggende: »Gij ziet, Mijnheer de Voorzitter, dat ook mij
de algemeene stelling: npoint de redressement de griefs, point de subsides" .
onaannemelijk voorkomt, Maar ik mag weder aan de andere zijde niet.
te zeer beperken het oogpunt, waaruit elk der hoofdstukken van de
Staatsbegrooting kan worden beoordeeld. Ik acht de aanbieding dier ‘
wets-ontwerpen geen blooten vorm, ik acht ze iets meer dan eene aan-
leiding om ter gelegenheid daarvan te treden in beschouwingen. Ik meen ‘:.
dat bij ieder hoofdstuk niet alleen het cijfer, maar dat cijfer in verband _?
moet worden beoordeeld, zoowel met de middelen en behoeften en met I
de zekerheid van aanwending tot het beoogde doel, als met de leiding I
van het departement in de gewigtige aangelegenheden. En waar ten op- I
zigte dier punten zich genoegzame bezwaren vereenigen, daar acht ik `
de niet-aanneming geregtvaardigd/’(Handd., 1856/57, bl. 538) Trouwens ’
zeide de Minister den '1S*°¤ Dec. *1856: »ik vraag bij de aanbieding mijner j
begroeting cen votum van vertrouwen en ik ontken dan ook niet het
regt der Kamer om mijn (mij ?) dat votum te onthouden? (Hrmcld., bl 292*)
“) Hcmdd., 1856/57, bl. 9823. Over de jammerlijke mysti/icalric van
r
r