HomeVolk en staatPagina 17

JPEG (Deze pagina), 783.08 KB

TIFF (Deze pagina), 7.11 MB

PDF (Volledig document), 29.39 MB


15
maatschappij is eene groote nutsvergadering. De
h maatschappij zelve, de geheele menschheid heeft
¥ een eigen ontwikkeling waartoe ieder mensch mede-
werkt, maar die aan het bevattingsvermogen der
menschen ontsnapt. Wg, allen, gevoelen dat
«­ moeten leven niet alleen voor ons zelf maar voor
de menschheid, ja des noods voor de menschheid
g ons leven moeten laten; wg moeten deugdzaam zijn _
I zonder dat wij kunnen begrijpen wat de gevolgen
. van onze deugd kunnen zijn, of berekenen naar
welke doeleinden de maatschappij streeft, welke
lotgevallen voor de menschheid zgn weggelegd.
­ De mensch is door en door een maatschappelijk
. wezen; hij leeft voor zich zelf maar evenzeer voor.
· anderen. Daden van zelfopoffering zijn hem even
i natuurlijk als daden van zelfzucht. Het groote
geheel is hem even na als zgn eigen ik. Ja inder-
· daad hij kan geen schrede doen op zgn levensbaan,
, ' geen enkele daad verrichten van liefde of medelg­
. den, zonder dat in zgn binnenste de stem weer-
klinkt die de groote wgzen der oudheid in men-
schelgke taal hebben vertolkt: Dat groote onbekende
wezen dat uw leven beheerscht, dat u voortdurend
beveelt gg moet dit en gij moet dat, dat zgt gij
p zelf (tat twam asi). Ieder mensch is zich zelf,
tv maar voelt zich tevens eene gedeeltelijke openba-
ring van de groote gemeenschap der menschen.
l Maar evenals in het menschelgk organisme
‘ sommige organen een min of meer zelfstandig en
i