HomeHet kamerbesluit van 25 Mei en zijne gevolgenPagina 19

JPEG (Deze pagina), 926.34 KB

TIFF (Deze pagina), 7.60 MB

PDF (Volledig document), 27.38 MB

l ‘ l
i |
i I
. EN z1J1v1s GEVOLGEN. 17 1
De kroon is niet meer het middenpunt van al wat in
` staat en maatschappij naar aanzien en onderscheiding streeft, 1
geen magneet meer, die alle krachten in staatkunde, weten-
` i schap en kunst aantrekt en om zich groepeert. Ja, de kroon
_ heeft ook opgehouden in werkelijkheid het levend vaandel ‘
der gewapende macht te zijn. De scru.pelen van een Stieltjes t
l over de herhaling van den eed na eene troonsopvolging,
gebouwd op de mogelijkheid, dat hij ernstig bevelen zou r
i kunnen ontvangen tegen grondwet of wet, zijn nauwelijks t
x vl _ meer begrijpelijk. De kroon plukt de vrucht van het, ik
T , zou bijna zeggen, stelselmatig steunen van al wat versleten g
i was. Of zoo siemzm het rechte woord niet is, laat mij dan
zeggen, van onbedachtzaam toelaten, dat al hetgeen versleten
was zich als parasiet aan de kroon vasthechtte.
Om het staatkundig gebied te blijven, vonden een door l
de gelijkheid der kerkgenootschappen onmogelijk geworden
. staatkundig antipapisme in 1853, een veroordeeld behouds­ E
, stelsel in 1866-1868 en, last no! [msi, een versleten kies- g
r stelsel in 1879 hun laatste bolwerk bij de kroon, en werd
. het initiatief der kroon misbruikt, om die versleten stelsels
nog eens op de been te zetten, en te zien of er nog niet
een vonkje levenskracht in school. Van Hall, Heems/ser/c,
mm Lämlezz en hunne ambtgenooten zijn voor dit bedrijf
‘ naar de regelen der staatkundige verantwoordelijkheid de
· schuldigen, maar geene staatsrechtelijke fictiën kunnen de
. gevolgen wegnemen van de slagen, die de onder hunne ver-
antwoordelijkheid gepleegde, doch daardoor sehamel gedekte
handelingen aan het aanzien van het koningschap toebrachten
en nog toebrengen.
· Men moge kunnen pleiten , dat ook andere oorzaken, waar-
j voor geene ministers verantwoordelijk zijn, er toe hebben
,, medegewerkt, het feit is niet te loochenen, dat het koning-
schap thans eene bloote vorm, eene zuiver politieke instel-
, ling, een louter symbool is geworden, en geene levende
V staatkundige en maatschappelijke kracht meer is. De politiek
, J heeft met dit feit te rekenen. Het verval van het prestige
4 l der tweede kamer is niet aan de kroon ten goede gekomen.
Toen die kamer ophield als vol/rsverieqezzwoozcliqirzy erkend
l .