HomeHet kamerbesluit van 25 Mei en zijne gevolgenPagina 16

JPEG (Deze pagina), 944.39 KB

TIFF (Deze pagina), 7.55 MB

PDF (Volledig document), 27.38 MB

I W
. 14 uur KAMERBESLUIT vAN 25 Mm
lijk, dat eene levende staatkundige kracht worde. En het
l kleingeestig plutocratisch beginsel van samenstelling, de be- _
perkte keuze uit eene lijst van hoogstaangeslagenen , maakte l
zulks hier nog te meer onmogelijk.
De tweede kamer is in ons staatsstelsel de wezenlijke volks- ‘ l
verlegxeiiwooreliyiizy. Zij heeft zich ook als zoodanig gevoeld, i
en is als zoodanig erkend, zoolang de politieke strijd tusschen
volk en regeering duurde, en er nog vrees kon bestaan voor I
een terugkomen op de afschafling van de politieke voorrechten
des adels, en van de heerlijke rechten. Haar achteruitgang I
dagteekeut van den tijd, waarop de strijd met de kerkelijke j
partijen over het onderwijs op den voorgrond trad , en
kwam geheel in verval, sedert de economische strijd van '
belangen, tusschen de loontrekkenden eenerzijds en de onder- ·
nemers en renteheffers anderzijds, meer en meer tot bewustheid l
kwam, en het overwicht van de laatsten bij de samenstelling
der lweerle kamer praktische beteekenis kreeg. Vooral van dien
tijd af, en naarmate de kennis der economische verhoudingen
toenam, werd ook het kiesstelsel meer en meer afgekeurd.
Wel hadden ook reeds de voorstanders van godsdienstig ge-
kleurd onderwijs een beroep op kel volk aekler cle kiezers
gedaan , maar dit beroep trof het census-kiesstelsel niet in het I
hart. Immers is het mogelijk, dat de tegenwoordige scheiding ‘
tusschen kiezers en niet­kiezers de voorstanders van gods- ll
dienstig onderwijs benadeelt, maar het omgekeerde kan even-
zeer het geval blijken te zijn. De scheidingslijn tusschen kiezers
I en niet-kiezers is niet gemaakt, om godsdienstigen uit te"
j sluiten en aan ongeloovigen het kiesrecht te verleenen. In
l dit opzicht is de census niet partijdig. In den strijd tusschen
geloof en ongeloof wordt de rechterstoel niet door één der
partijen bezet, en de andere uitgesloten van de samenstelling
g van het collegie, ’t welk de wederzijdsche gronden en aan-
­· spraken toetst. Waren of werden de clericalen meerderheid, i
I dan zouden zij als cleriealeii geen bezwaar tegen den census
hebben. Maar waar het de sociale gziaeslie bij uitnemendheid, ‘
de waardeering der wederzijdsche eischen van arbeid en kapi-
· . .
P ’