HomeKorte aanteekeningen betreffende eenige Artillerie-ZakenPagina 38

JPEG (Deze pagina), 667.83 KB

TIFF (Deze pagina), 7.04 MB

PDF (Volledig document), 40.48 MB

36
zoo zouden wij te velde als algemeenen regel willen
aannemen: Y _
,,DaZ net waargenomen aanial ie kart gaande schoten
,,(springers) nie! meer dan zie negfzf en nie! 77Zi7Zá7ê7’
,,a’an een vyfde mag bó’ü77’üg`€7Z.”
Op afstanden grooter dan 2000 M. en bij ondiepe ,
troepenmassa’s kan men bij 50% en op afstanden kleiner
dan 2000 M. en ook bij diepe kolonnes kan men bij ·
25% à 20% te kort gaande schoten op de meest ge-
wenschte vuuruitwerking rekenen 1).
In het eerste geval is het gemiddelde trefpunt in
den voet of voorkant van het doel, in het tweede ·"‘
geval 0,5 à 0,6 van H5, of L5, hooger of verder gelegen.
Het goed waarnemen der schoten is eene zaak waartoe
veel oefening wordt gevorderd. In den regel moet
men zich daartoe zijdelings en eenigzins voorwaarts
van den vuurmond. en boven den wind stellen. .
Vooral te velde zijn de springpunten gemakkelijker l
waar te nemen dan de trefpunten en wordt daarvolgens J
dan ook ingeschoten. Neemt men nu 50% springers I
vóór het doel waar, dan ligt het gemiddelde springpunt Q
ter hoogte van den voorkant van het doel en het l
gemiddelde trefpunt 2 M. digter bij den vuurmond. ,,
Gewoonlijk kan men dit kleine verschil evenwel gerust l
verwaarloozen en het gemiddelde tref- en springpunt als
een zelfde punt beschouwen.
Het bovenstaande in het oog houdende zullen wij
I) In het algemeen gelooven wij doelen, welke korter zijn dan L5;] l
tot de ondiepe en die, welke langer zijn dan 2 maal L5" reeds tot de
diepe te mogen rekenen.
I
F
T