HomeKorte aanteekeningen betreffende eenige Artillerie-ZakenPagina 37

JPEG (Deze pagina), 679.37 KB

TIFF (Deze pagina), 7.10 MB

PDF (Volledig document), 40.48 MB

l
«;
· x
" 3
ss
bedraagt. Bij het inschieten is dit natuurlijk een groot 1
gemak.
l De te kort gaande schoten kunnen in den regel het
beste worden waargenomen en hun aantal dient als
* maatstaf van beoordeeling of men al of niet voldoende
1 is ingeschoten.
l Bij de ligging van het gemiddelde trefpunt in den i
voet van het doel, worden evenwel minder directe tref-
fers verkregen (in het aangenomen geval 9%) dan ,
l wanneer dit punt in het midden der hoogte lag; doch
l dit wordt gedeeltelijk althans vergoed door de ornstan- l
"‘ digheid, dat van de 5O"/0 te kort gaande schoten ge-
woonlijk nog wel 9% ná den aanslag in het doel komen.
Daar de granaten met schokbuizen eerst in het begin
van den tweeden boog (ongeveer 2 M. ná den aanslag) l
w springen, zoo zullen ook mzäzder schoten als te kort I
l worden waaïgmamerz dan werkelijk het geval is, dewijl g
men soms een projectiel eerst achter het doel zal zien l
3 springen, terwijl het toch daar vóór is aangeslagen. ‘
T" Hierdoor zal dus het gemiddelde trefpunt altijd lager
liggen dan men het denkt waar te nemen. Uit dien l
l hoofde zouden wij niet gaarne meer dan de helft der 5
schoten te kort zien gaan. B,
l Te velde kan men met amizqe troepenmassa’s of met i
· ` kolonnes van meer of mindere a’z`@z‘e te doen hebben.
{ In het eerste geval is het voordeelig op den wat van i
l het doel, in het tweede geval is het beter Mager te zijn
{ ingeschoten. Daar de ondervinding verder ook geleerd · Y
; schijnt te hebben dat projectielen, die met kort vóór
ç het doel aanslaan en springen, weinig uitwerking hebben,
J