HomeKorte aanteekeningen betreffende eenige Artillerie-ZakenPagina 26

JPEG (Deze pagina), 696.99 KB

TIFF (Deze pagina), 7.07 MB

PDF (Volledig document), 40.48 MB

ü 6
p 24
l Bij de beoordeeling dier uitkomsten mag men evenwel
l niet uit het oog verliezen (zooals ook de verslaggever
i opmerkt), dat, hadden lange stalen kanonnen van 15
A en 12 c.M. achter eene oploopende plongée geplaatst i-
en met de normale lading ons vuur willen beantwoorden,
L die plongée dan eerst omstreeks 40 cM. afgegraven
Y had moeten worden en hun vuur dan tevens denjuisten
i stand dier kanonnen zou hebben verraden Bovendien ç.
- is niet bekend welke uitwerking verkregen zou zijn, ä
indien men op een afstand ware gebleven waarbij de A
invalshoek, even als bij den bronzen 12 c.M. K A
(pag 135 v. 0. en 136 v. b.), grooter dan 5°43’ ware ”"'
geweest. Die afstand had bij de Lange 15 en 12 c.M.
omstreeks 2400 en 2100 M. moeten bedragen, doch
tegenover het voordeel van dien grooteren invalshoek i
` had dan ook weder gestaan de kleinere trefkans op à
een g1·ooteren afstand.
Dat de Nederlandsche Vesting Artillerie nog van·
h i geen middel is voorzien om op voldoend naauwkeurige Ah
Y wijze over de oploopende plongées heen te rigten,
mogen wij ná hetgeen reeds vermeld is, niet als een
Y groot nadeel doen gelden. Toch hebben wij persoonlijk ,
de overtuiging dat die rigtwijze niet zoo naauwkeurig ,
kan zijn als de gewone, en dat men kleine doelen dus
niet met zooveel juistheid van achter eene oploopende
als van achter eene ailoopende plongée zal kunnen
beschieten. Daar evenwel het van achter eene oploo-
· pende plongée vuren op omstreeks 2000 M. afstand,
bij de lange stalen kanonnen van 15 en 12 c.M. reeds
l eenig afgraven der buitenkruin vordert, zoo mogen wij
O
0